3Paulus Von NASSAU, + 1514†† Lady Diana's 13e and HM Beatrix's 12e Great Grandfather,

3Albrecht I Van BEIEREN (Bavaria) anno 1336-1404 Hertog van† Bavaria-Straubing, Graaf van Holland, Zeeland en Henegouwen. Via Catharina, jongste dochter van Jan III Van† BEIEREN, Heer van Schaghen &

aAnna Van ASSENDELFT, dochter van Dirk & Adriane Von NASSAU (mijn 11e voor-grootouders),

2Gerard IV Van WASSENBERG anno 1060-1129, Graaf van Gelre & van Wassenberg. Hij ging zich vervolgens na erkenning Gerard I VON GELDERN noemen. Bijnaam De Lange. Via voormoeder Maria Theresia Haerten van Geldern.

4Costijn II Van RENESSE & Hillegonda Van VOORNE anno 1302 Burchtgraaf en Gravin van Zeeland. Via Ida van Renesse onze oudstbekende voormoeder Enzovoortboekaldus†Dr. A. W. E. Dek, officieel genealogie schrijver Koninklijk huis Nederland

boek†Baron J.S.F.J.L. de Herckenrode, en† M. de Vegiano, Signeur d'Hovel, schrijvers genealogie Nederlandse Adel in BourgondiŽ; En vele andere web-links naar diverse boekwerken.

HERALDIEK

Nagenoeg, iedereen heeft een wapen en mag het ook voeren. Het opzoeken daarvan bij Rietstap (zie documentatie ) is eenvoudig. Alleen ,,,, een adellijk wapen, d.w.z. met kroon is alleen toegestaan aan diegenen, die (met hun wapen) bij de Hoge Raad van adel geregistreerd staan. Kronen zijn in 1817 bij de wet vastgesteld. 5 punten voor de Jonkheer, 7 voor een Baron, 9 voor een Graaf enz.).
7

Het familiegraf bestaat het jaar 2017, 165 jaar en ziet er dankzij† verschillende renovaties nog steeds perfect geconserveerd uit

Een verslag† met foto's van voor de 2e wereld oorlog, tussentijdse jaren 70, en de laatste renovatie & oplevering.
7

ee


Schets van een vooruitziend daadkrachtig politicus.

Jonkheer Josephus Fransiscus de Kuijper (1787-1843);
Hij drukte zijn stempel en werd opnieuw in de Adelstand verheven voor hem en zijn nakomelinge
n.

Contact us


3

De Cupere tot De Kuijper een genealogie van Ridders & Jonker

CURIOSA & NOSTOLGIE


j

Jonkheer

Josephus Fransiscus de Kuijper (1787-1843);

Een loopbaan in het politieke krachtenveld van Noord-Brabant, 1813-1843.

Schets van een vooruitziend daadkrachtig politicus.



Introductie

Deze biografie behandelt het leven van Joseph Franciscus de Kuijper, een man die leefde van 1787 tot 1843.

Geboren te Rotterdam trekt hij op jeugdige leeftijd naar Noord-Brabant om het familiefortuin in land te beleggen en een politieke loopbaan te beginnen. Na een aantal jaren in het lokaal bestuur actief te zijn geweest (1813-1822) richt hij zijn aandacht op de provinciale politiek. Daar groeit hij uit tot een exponent van de gouvernementeel gezinde groep bestuurders, die zich kenmerkte door een conservatieve en koningsgetrouwe houding.

Door deze houding wekte hij de woede op van de liberale katholieken, die vochten voor de erkenning van hun rechten. Uiteindelijk kostte zijn houding hem zijn plaats in de provinciale politiek. Zijn trouw aan de koning bleef echter niet onopgemerkt en na herhaaldelijke pogingen door Joseph zelf werd hij uiteindelijk in 1829 door de koning in de adelstand verheven.

Op de volgende vragen zal in deze biografie een antwoord worden gegeven:

- Waarom ging Joseph Fransiscus de Kuijper van Rotterdam naar Veghel?

- Waarom gaf hij zijn loopbaan in de handel op voor een politieke carriŤre?

- Wat wilde hij bereiken met zijn politieke houding?

- Wat heeft hij voor Veghel betekend?

- Wat was het karakter van de Noord Brabantse provinciale politiek?

- Welke rol speelden de gouverneurs in de strijd tussen Statenleden en de regering?

Bij het bestuderen van Joseph de Kuijper is gebruik gemaakt van literatuur uit en over die tijd en voor zover aanwezig van archiefmateriaal.

Voorgeschiedenis

Deze biografie begint bij Jacobus de Kuyper, geboren te Rotterdam op 3 februari 1745 als oudste zoon van Joannes - Jan - de Kuyper, welke als Poorter te Rotterdam is GeŽed, en Catharina van der Polder.

- Een poorter is een gevestigd burger van de stad, en zodoende werd hij in het poorterboek ingeschreven op 18 januari 1729. -

Jacobus had een broer, Joannes. De stichter van de thans nog steeds bekende Jenever fabrieken De Kuyper & Zn. Ook Joannes had 4 zonen. Joannes jr. is de later genoemde neef in de municipale raad van Rotterdam.

Jacobus kreeg hiermee ook een heel invloedrijke zwager nl. Johannes Franciscus Rudolf van Hooff. Deze was lid en president van de Bataafse Republiek. j.. sSter van de Orde van de Unie (1806) Ridder van Hooff

Na de komst van soeverein vorst Koning Willem I, werd hij opnieuw geŽed, maar nu als minister van Justitie. Jacobus de Kuyper, was dus gevestigd als poorter te Rotterdam. Hij bezat een Cargadoor bedrijf wat inhield dat hij schepen bevoorraadde en inlaadde. In de zogenoemde gouden eeuw, was de scheepvaart voor Holland, de belangrijkste bron van inkomsten waarvan de bekendste reder de VOC - Verenigde Oostindische Compagnie - was

Jacobus was dus een welvarend en behoorlijk vermogend man en hij stamde uit een oud adellijk geslacht "De Cupere", waarvan de oudst bekende stamvader Arnould De Cupere was. Arnould, geboren ongeveer 1260, onderscheiden door Graaf Floris V, vanwege zijn moed en benoemd tot zijn kapitein en veldheer. Deze genealogie is beschreven door Baron J.S.F.J.L. de Herckenroy, en vermeld een groot aantal landstitels zoals Heer van Keervliet, Meerenburg, Loen en Herckenroy. Vele bezittingen in en rond Bois le Duc, zoals het stadhuis. Hiernaast hadden de meeste vertegenwoordigers in deze genealogische reeks bestuurlijke functies zoals lid van de admiraliteit van Zeeland, lijfjonker van Philips Prins van Oranje etc.etc. Mede hierom zag Martinus van Hooff, een vooraanstaand man uit Eindhoven, een goede partij in Jacobus om zijn dochter aan uit te huwelijken. Jacobus Huwde op 7 oktober 1781 met Elizabeth Maria Theresia van Hooff geboren 2 februari 1750.b Haar moeders naam luidde Anna Elizabeth Bols d’Arendonck

jNotariŽle akte opgemaakt door Joseph de Kuijper. Duidelijk de naam ij met puntjes zoals ingeschreven in het register 1810 onder Napoleon.

Brabant de nieuwe provincie

De weg naar Brabants ‘vrijheid’ begon met de komst van de Fransen in augustus 1794. Na eerst door Frankrijk te zijn ingelijfd werd StaatsBrabant door het vredestractaat van 16 mei 1795 aan de nieuwe Bataafse Republiek teruggegeven.

De weg lag nu open voor de vorming van een eigen gewestelijk bewind. Allereerst werd er een provisioneel bestuur gevormd, dat voor goedkeuring op 11 juni 1795 naar Den Haag trok.

In tegenstelling tot de voorgaande twee eeuwen pleitte het gewest Holland voor gelijkberechtiging, zodat niets meer in de weg stond om van Noord Brabant het achtste gewest te maken.

Per 1 maart 1796 had de Bataafse Republiek er dan ook een nieuw gewest bij: Noord Brabant. Volgende stappen waren het opzetten van een representatief gewestelijk bestuur en het stimuleren van een eigen identiteit van het overwegend katholieke gewest binnen een protestantse eenheid. Het ging dan met name ook om de acceptatie van Noord-Brabant als volwaardig lid van de Bataafse Republiek. Het gebied dat nu een eigen provincie vormde, was immers al twee eeuwen een generaliteitsland. Het werd in deze jaren rechtstreeks bestuurd door de Staten-Generaal en had geen inspraak in ‘s lands regering. Nu dat alles was veranderd dienden de voorlopige representanten allereerst een goed functionerend gewestelijk bestuur op te zetten. Door de Franse invloed en de vele bestuurlijke veranderingen kon daarmee pas echt goed worden begonnen na het herstel van de onafhankelijkheid in de jaren 1813-1814.

Met de terugkeer van het Huis van Oranje begon ook voor de hoofdpersoon van deze biografie een nieuw tijdperk.

Van Rotterdam naar Veghel

i

Joseph Franciscus de Kuyper werd op 11 juli 1788 te Rotterdam geboren als zoon van Jacobus de Kuyper en Elisabeth Maria Theresia van Hooff. Hij werd op 29 augustus in de kerk de steiger gedoopt.

De katholieke familie De Kuyper kwam oorspronkelijk uit Zeeland en via de Kempen Vlaanderen gingen zij van daaruit naar het Noord Limburgse Horst waarna zij 1729 naar Rotterdam waren getrokken. Grootvader Joannes - Jan - de Kuyper, nog geboren te Horst, startte het Cargadoors bedrijf aan de Visschersdijk.

Ook Joseph is, in navolging van zijn vader, in deze handel sector begonnen. Als zoon van een welvarende familie werd hij wel geacht eerst een degelijke opleiding te volgen. Zodoende volgde hij een opleiding tot notaris, een beroep waarvan hij bij de overdracht van goederen baat zou kunnen hebben. Na zijn studie is Joseph al snel in dienst gekomen bij het bedrijf van zijn vader.

Op 11 juli 1809 - dus op zijn 21e verjaardag - trouwde hij in Rotterdam eveneens in de kerk aan de Steiger met Maria Theresia Philipinia Dubbelens, een dochter uit een rijke Eindhovense familie. Haar vader was Henricus en moeder Maria Catharina van Weirelijckhuysen

Als twintigjarige vertrekt hij naar Veghel en belegt daar zijn fortuin, dat eerder aangemerkt kan worden als familiebezit, in huizen en grond. Uit een acte van notaris Fenema, te ‘s-Hertogenbosch blijkt dat Joseph de Kuyper in 1808 de erfsecretarie in Veghel koopt:Door dit huwelijk en door het niet geringe familievermogen was Joseph de Kuyper op jeugdige leeftijd al een zeer vermogend man. Dit wordt onderstreept door de volgende belangrijke stap in zijn carriŤre.

vvvvVicktor de Kuijper Burgemeester

Voor notaris Fenema verschijnen

‘De Heer Jan de Jong wonende te Veggel ter eenre en de Heer Josephus Fransiscus de Kuyper, minderjarig Jongman wonende te Rotterdam, tot het gunt navolgende speciaal geautoriseerd en gekwalificeerd van zijne moeder en voogdesse vrouwe Elisabeth Maria Theresia van Hooff, weduwe van den Heer Jacobus de Kuyper mede te Rotterdam woonachtig... Verklarende ... aangekocht te hebben van den komparant ter eenre de Erfsecretarij van den dorpe en dingbanke van Veggel gelegen in het kwartier Peelland Meierij dezer Stad, en zulks met alle deszelfs regten en geregtigheden... Den kooper zal aan handen van den verkooper bij het doen van het transport welke binnen twee maanden zal moeten geschieden, voor kooppenningen moeten betalen eene Somme van drie en twintig duizend en vijf honderd Guldens ... Den kooper zal den eigendom aanvaarden bij de rest, gereserveerd aan den verkooper het waarnemen der secretarije en alle de voordeelen zoo van tractement als emolumenten, tot den eersten october 1800 agt, als wanneer door den verkooper ten behoeven van den kooper de functie als secretaris van Veggel zal worden neergelegd en afgestaan.’.

De vraag die nu het meest voor de hand ligt is waarom Joseph de Kuyper juist Veghel uitkiest om zich te vestigen? Volgens Adriaan Brock, die in de jaren ‘20 van de vorige eeuw door de Meierij reisde, was Veghel ‘een groot en net Dorp, ver het schoonsten van Peelland, maar ook een der treffelykste in de Meiery’.

Of Joseph de Kuyper oog had voor zulk soort dingen is niet bekend. Zeker is dat het zijn intentie had om Veghel te voorzien van een infrastructuur. Want dat hadden ze in de familie de Kuijper goed begrepen, Wie het netwerk had, regeerde de handel. Water en spoorverbindingen waren de belangrijkste. Zoon Eduard heeft in zijn burgemeesterschap het spoor te 's-Hertogenbosch geÔntroduceerd, zoon Victor zorgde voor bruggen en spoorverbinding over de Willemsvaart Joseph zelf zorgde al eerder voor de haven te Veghel.

Wat Joseph vooral aantrok was de grond, die in Noord-Brabant veel goedkoper was dan in Holland. Het was zo eenvoudiger om grootgrondbezitter te worden en op die manier kwam Joseph de Kuyper in navolging van zijn voorouders automatisch in de stand der landeigenaren..

Tenslotte zal zijn keus op Veghel zijn gevallen, omdat hij vernomen had - vermoedelijk van zijn eerder vermeldde oom van Hooff - dat daar de erfsecretarie te koop was.Op deze wijze verkreeg je zowel actief als passief stemrecht voor de Provinciale Staten van de provincie. Nog een argument om voor Veghel of eigenlijk Brabant te kiezen was dat deze provincie overwegend katholiek was. En daar Joseph de Kuyper ook katholiek was, zou dat bij volgende verkiezingen zeker niet in zijn nadeel werken. Zodoende kon hij gemakkelijker in het plaatselijk bestuur komen dan bijvoorbeeld in Rotterdam, waar zoals in heel Holland de regenten het voor het zeggen hadden en waar katholieken weinig kans maakten op een plaats in het bestuur.

Erfsecretarie, de instap tot Veghels notabelen

Per 1 oktober 1808 is de dan twintigjarige Joseph de Kuyper dus erfsecretaris van Veghel. De titel erfsecretaris was ofwel een onderdeel van een heerlijkheid of een aparte post in de zogenaamde statendorpen.

Oorspronkelijk was dit ťťn ambt, maar tijdens de Bataafs-Franse tijd waren alle bestuurlijke en justitiabele ambten gescheiden. Er vond voortdurend doorverkoop plaats van heerlijkheden en erfsecretarieŽn, zeker na 1814. Op deze gang van zaken hadden de, voornamelijk protestantse, bezitters veel kritiek en er ontstond een hevige pamflettenstrijd. Na de Franse overheersing werden veel heerlijkheden door de nieuwe overheid aan particulieren bij opbod verkocht. In tegenstelling tot de gang van zaken in de Republiek mochten er nu ook katholieken mee bieden en verloren de protestanten hun bevoorrechte positie. Daarnaast heerste er bij de Provinciale Staten de mening die in iedere provincie opgang deed:

Heerlijkheden zijn in de loop van de middeleeuwen ontstaan door privilege van de landsheer. In het geval van Noord-Brabant gaf de Hertog plaatselijke heren bepaalde gebieden in leen of verkocht de bestuurlijke en/of rechterlijke rechten ervan. Deze gebieden worden in de loop van tijd erfelijk en krijgen de naam heerlijkheden. Statendorpen vielen, zoals het woord al zegt, rechtstreeks onder de Staten-Generaal. Zij ook verkochten de rechterlijke en bestuurlijke rechten aan derden. Ten tijde van de Republiek waren de meeste heerlijkheden en erfsecretarieŽn eigendom van protestanten. De meeste erfsecretarieŽn, zo ook die van het statendorp Veghel, behelsden het volgende; Eigenaar der erfsecretarie mocht twee functies bekleden of deze functies uitbesteden: secretaris van de gemeente en secretaris of griffier van de civiele rechtbank

De wens om de ambten aan ingezetenen te vergeven.

Waren ten tijde van de Republiek alle heerlijkheden nog in handen van protestanten en nu moesten zij lijdzaam toezien dat de meerderheid in handen kwam van de nieuwe katholieke elite.

Een overblijfsel van deze discussie is een geschrift van een auteur, die zich Candidus Brabantus noemt. Dit pseudoniem werd gebruikt door de katholiek en statenlid Jan Sassen, aan wie in het volgende hoofdstuk meer aandacht zal worden besteed. Sassen, die eerder in opdracht van landdrost De la Court in 1809 een rapport schreef over de geschillen tussen protestanten en katholieken in Brabant, schrijft in zijn pamflet over de afbrokkelende positie van de protestanten. Zij hadden hun maatschappelijke positie veelal te danken aan het bezit van heerlijkheden of erfsecretarieŽn.

Veel protestanten hadden dan ook geen goed woord over voor hun geloofsgenoten, die heerlijkheden aan katholieken verkochten. Zijn pseudoniem gebruikt Sassen om een protestant aan het woord te laten over de kwestie. Die oordeelt dat ‘die soort van eigendommen -heerlijkheden en erfsecretarieŽn-, hier niet zeer duur zijn en ... dewelke dan nog eenige waarde hebben ... zijn in handen van rooms-katholieke bezitters.’.

De vorige eigenaar van de erf secretarie en bezitter van de heerlijkheid Beek en Donk was protestant. Jan de Jong was een telg uit de familie de Jong van Beek en Donk en op dat moment lid van Gedeputeerde Staten. Het interessante aspect van erf secretaris waren natuurlijk de inkomsten, die de secretaris bij zijn werk aan de rechtbank en de gemeente verdiende. Joseph De Kuyper heeft zelf nooit als secretaris van de gemeente Veghel gefungeerd, maar deze functie verpacht aan Jacob Jacot.

In een staat uit 1818, opgesteld door Joseph De Kuyper op verzoek van de gouverneur, vermeldde eerstgenoemde de inkomsten (de zogenaamde ‘Pecunieele Voordeelen’) over het jaar 1804. In totaal, dus uit de bestuurlijke Ťn de rechterlijke functies, bedroegen de ontvangsten Fl. 3362,34. We kunnen aannemen dat de inkomsten zeker gelijk zijn gebleven, omdat in 1818 als voorbeeld voor de inkomsten het jaar 1804 is genomen. Uitgaande van deze getallen heeft hij dus maximaal 7 jaar nodig gehad om zijn investering terug te verdienen. Het is echter aannemelijk dat Joseph de Kuyper deze inkomsten hoger opgaf dan zij in werkelijkheid waren.

Per 8 mei 1819 werden namelijk, met het nieuwe Reglement van bestuur voor het platteland in de Provincie Noord-Brabant, de heerlijke rechten afgeschaft. De bezitters werden hiervoor schadeloos gesteld, het bedrag waarvoor is niet in de bronnen vermeld. Joseph de Kuyper wist dat de staat zijn erfsecretarie zou terugkopen en daarom gaf hij waarschijnlijk zoveel mogelijk inkomsten op uit zijn erfsecretarie, waarvoor hij dan schadeloos zou worden gesteld.

Van erfsecretaris tot burgemeester

De aankoop van de erfsecretarie was meteen ook een goede introductie in Veghel en hoewel het niet geheel duidelijk is wanneer hij naar Veghel gekomen is moet het geweest zijn tussen mei en oktober 1808. Dan vinden we namelijk de eerste vermelding in het gemeente-archief in Veghel en wel op 13 oktober 1808 in de oud rechterlijke archieven. Het betreft een stuk waarin melding wordt gemaakt van een

Schuldbrief

afbetaling van een schuld van 100 gulden van Roelof van de Wijngaard

Erfsecretaris van en wonende te Veghel.’.‘aan en ten beschouwen van den Heer Josephus Franciscus de Kuyper,

Ook via de lijst van borg en ontlast brieven voor ingekomen en vertrokken personen uit de jaren 1680-1818 van de gemeente Veghel is de precieze datum van zijn komst niet te achterhalen. Zulke lijsten werden bijgehouden voor de gemeente-administratie en met name voor de armenzorg. Vertrekkende personen kregen een ontlastbrief, waarin de gemeente ontlast werd van de zorg voor deze personen en het omgekeerde werd geregeld in de borgbrieven. In deze lijsten vinden we daarom geen rijke personen.

Omdat hij eerst nog in Rotterdam in het huwelijk was getreden, mag er worden aangenomen dat hij voor vestiging in Veghel eerst een woning is aangekocht. Het huis MariŽnburg, Hoofdstraat te Veghel is door hem aangekocht als woonhuis Notariaat.

Tijdens zijn eerste jaren in Veghel heeft hij alleen de functie van griffier bij de civiele rechtbank uitgeoefend en zijn secretaris functie zoals gezegd uitbesteed. Deze tijd heeft hij ongetwijfeld besteed aan het leggen van contacten met de hogere kringen in Veghel en het aankopen van nog meer landerijen, waarvan er heden nog enkele hectaren in het bezit van de afstammelingen Victor De Kuyper zijn. In 1811 zien we weer een noemenswaardige activiteit van Joseph de Kuyper. Omdat de kadastrale gegevens pas vanaf 1832 werden bijgehouden is hiervan ook geen juiste datum bekend. Een nu nog levende latere bewoonster Clara van den Bergh,

m

tevens groot bewonderaarster van het huis MariŽnburg heeft in een courant de woning omschreven als mooiste met grandeur te Veghel.

m

Op 1 juli van dat jaar wordt hij te Eindhoven geÔnstalleerd als notaris te Veghel:

‘pour sevir ŗ Mr Joseph FranÁois de Kuyper

ancien secretare [erfsecretaris, WT]

de la commune de Veghel faisant provisioirement

les functions de Notaire dans la dite commune’

Joseph de Kuyper, had de handelslessen die hij van zijn vader en grootvader geleerd nog niet vergeten, en naast zijn notariele functie ging hij handelen in onder andere linnen. In notariele acten staat hij enkele malen vermeld als ‘vendeur demeurant’ en kreeg vergunningen voor de openbare verkoop van linnengoed.

l

Inmiddels was hij ook begonnen met de bouw van zijn buitenhuis " Huize Lanckveld " aan het Ham nr.5 te Erp. Ter plaatse beter bekend als het Kasteeltje.Zowel dit landhuis huize Lanckveld als Zwanenburg en Huize MariŽnburg zijn nog aanwezig als stille getuigen van een vervlogen tijd.

d

l

Deze woning heeft hij vernoemd naar de naam van zijn bet overgrootmoeder die als dochter van Godard van Lanckveld uit dit voorname geslacht huwde met zijn voorvader Arnoldus de Cupere, die zich op zijn beurt weer "de Cuyper" noemde naar zijn moeder aleyda.

zZwanenburg

De geschiedenis van Zwanenburg gaat terug tot 1300, toen er sprake was van een 'goet aant Bueghe', oftewel een landgoed aan de rivierbocht de Aa in het huidige buurtschap Beugt. Het eerste gebouw, De 'Steenen Kaemer' met trapgevel, werd neergezet rond 1500. In de loop der eeuwen werd het slotje verbouwd en uitgebouwd. Adellijke families en vooraanstaande (burgemeesters-) geslachten bewoonden het huis, permanent of als buitenverblijf tijdens weekenden en vakanties. Het was Gijsbrecht van der Schout die in de zeventiende eeuw de naam 'Swaenenbergen' aan het huis gaf. De jonkheer kwam op die naam omdat hij het belangrijke statusrecht van zwanendrift (het mogen houden van zwanen) had verworven. "De kasteelheer van Heeswijk was er jaloers op" , weet Van Bouwdijk Bastiaanse te vertellen.

z

Jonkheer Josephus de Kuijper, burgemeester van Veghel en bet-bet-overgrootvader van de huidige eigenaar, kocht het landgoed in 1835 op een openbare veiling. Daarna is het landgoed eigendom van zijn zoon Eduard en diens broer Victor, ook burgemeester van Veghel. In 1916 trouwt eigenaresse van Zwanenburg jonkvrouwe Cecile de Kuijper met Frans van Bouwdijk Bastiaanse.

-- Aldus het Brabants dagblad--

z

----Ik auteur, heb het huis en landgoed tijdens theevisite eens kunnen bezichtigen na de grote renovatie viering van het familiegraf. Wat mij vooral opviel, het wandgrote schilderij. Een soort lederen doek over de gehele grote muur gespannen, voorstellende een jachttafereel dacht ik. Erg indrukwekkend----

Na de inlijving van het Koninkrijk Holland bij Frankrijk, komt Brabant onder direct bestuur van Napoleon. Hij had geen bijzondere voorliefde voor de katholieken en hij hield kerk en staat zoveel mogelijk gescheiden. Veel katholieken zagen echter nu hun kans om eindelijk als volwaardig te worden aangezien en ook een goede kans te maken op een plaats in het bestuur, want ‘beslist Franschgezinde of althans niet anti-Fransche Katholieken nam men echter gaarne in ‘t bestuur’. Witlox noemt als voorbeeld het nieuwe gemeentebestuur - municipale raad - van Rotterdam, met een katholieke burgemeester en twee katholieke raadsleden, waaronder Joannes jr de Kuyper. De laatste is een neef van Joseph de Kuyper, die inmiddels in Veghel bestuurlijk actief was

Per 1 januari 1813 was Joseph de Kuyper namelijk tot Maire van de commune Veghel benoemd en had hiermee de eerste stap gezet in zijn politieke carriŤre

Erg lang heeft hij het Franse bestuur niet gediend, want op 1 december 1813 werd prins Willem van Orange, in Amsterdam uitgeroepen tot soeverein vorst Koning Willem I. Hij liet meteen weten dat het gewest Brabant ook in het toekomstige Koninkrijk op basis van gelijkheid zou worden behandeld. Op 4 februari 1814 ontving Joseph de Kuyper een bericht van commissaris Wesselmans van het arrondissement Eindhoven met de opdracht :

De leden van den Raad dezer gemeente te doen vergaderen

en hun namens zijne Koninklijke Hoogheid ...

uit den Eed aan ‘t Fransche gouvernement gedaan,

te ontslaan en dezelve opnieuw te installeren.’

Notabelen stemmen voor Nieuwe Grondwet

Koning Willem I, had inmiddels een ontwerp-grondwet opgesteld, waarvan veel facetten nog nader door de vorst moesten worden ingevuld. Deze ontwerp-grondwet legde hij voor aan 600 notabelen uit het hele land op 29 maart 1814 te Amsterdam. Van hen bleven er 126 thuis, maar onder de overgebleven 448 personen was Joseph de Kuyper uit Veghel. Hij was ťťn van de 45 Brabanders, die gehoor gaven aan de oproep van de koning.

Van de aanwezige 448 personen stemden slechts 26 tegen de ontwerp-grondwet en daarvan kwamen er alleen al 16 uit Brabant. Onder deze 16 tegenstemmers waren 15 katholieken en 1 protestant. Onder de zes Brabantse katholieken die dus vůůr stemden, bevond zich ook de regeringsgezinde Onder deze 45 Brabanders waren 24 protestanten en 21 katholieken. J.F. de Kuyper.

De oorzaak van de vele katholieke tegenstemmers was de aanwezigheid van enkele anti-katholieke bepalingen in de ontwerp-grondwet. Zo bepaalde artikel 133 dat de vorst de hervormde godsdienst moest belijden en artikel 139 bepaalde dat de vorst toezicht had over alle godsdiensten.

Hoewel het principe van godsdienstvrijheid in de ontwerp-grondwet was vermeld, werd het protestantisme duidelijk bevoordeeld. Met het vorstelijk toezicht op de godsdiensten had de koning de katholieke kerk onder controle en het was dus niet verwonderlijk dat dit ontwerp veel negatieve reacties teweeg bracht bij de katholieken.

Het zijn juist de Brabantse katholieken die in deze zo verdeeld waren en dat zelfs enkele van hen vůůr de ontwerp-grondwet stemden. De oorzaak hiervoor moet gezocht worden bij het feit dat het in deze tijd niet verstandig was om tegen het beleid van de koning te stemmen. Iets wat Joseph de Kuyper met zijn informantie goed had begrepen.

Aangezien de koning nog veel macht had en met name op het terrein van de ambtenarenbenoemingen, kon je jezelf maar beter regeringsgezind opstellen.

Voor de regeringsgezinde katholieken kwam hun eigen carriŤre en positie dus op de eerste plaats en hun geloof op de tweede, iets wat de overige katholieken onverteerbaar vonden.

Joseph de Kuyper behoorde tot de katholieken die hun eigen belang lieten prevaleren boven het geloof en hij vond het dus verstandiger om vůůr de nieuwe grondwet te stemmen. Overigens heeft deze bijeenkomst achteraf weinig effect gehad, want deze plechtige notabelen-vergadering bekrachtigde een grondwet die echter slechts een kort leven was gegund.’.

Op uitdrukkelijk verlangen van den vorst gekozen zonder eenig onderscheid te maken wegens Godsdienstige geloofsbelijdenis, of vorige staatkundige gevoelens.

Op het beroemde Congres van Wenen werd namelijk besloten dat de Oostenrijkse Nederlanden, het latere BelgiŽ, bij het koninkrijk zouden worden gevoegd.

Deze fundamentele verandering van het grondgebied vereiste een nieuwe grondwet, waarin vooral aandacht werd besteed aan de bevoegdheden van de gouverneurs en de rangorde van de provincies.

De grondwetcommissie maakte in augustus 1815 de opmerking dat de nieuwe rangorde, die was gebaseerd op de rangorde ten tijde van Karel V, enigszins merkwaardig was. "Met eenig misvallen" las zij hoe nu de laatsten de eersten waren geworden, want volgens de oude rangorde kwam het hertogdom Brabant voorop.

Het oude hertogdom was nu verdeeld in de provincie Noord-Brabant met hoofdstad ‘s-Hertogenbosch en de provincie Zuid-Brabant met hoofdstad Brussel.

De godsdienstbepalingen in de nieuwe grondwet waren onder druk van het overwegend katholieke Zuiden veel minder streng dan die in de grondwet van 1814. Toch verzetten de geestelijke leiders van de katholieken zich, omdat zij tegen elk artikel betreffende de godsdienstbepalingen in de grondwet waren.

Het beginsel van godsdienstvrijheid stond bij hen voorop. Voor wat betreft de bestuursstructuur in de provincies veranderde er weinig, alleen werden de bevoegdheden van de gouverneur enigszins beperkt.

Dit werd bereikt door de Staten de mogelijkheid te geven om rechtstreeks met de koning te corresponderen zonder tussenkomst van de gouverneur.

Hiermee werd voorkomen dat de gouverneur een soort dictator zou kunnen worden, zoals dat veelal het geval was geweest in de Oostenrijkse Nederlanden.

Statenverkiezingen

Na bijna tien jaar als burgemeester van het dorp Veghel te hebben gefungeerd, wilde Joseph de Kuijper wel weer een trede hoger op de bestuurlijke ladder. Zoals gezegd liet hij veel bestuurlijk werk over aan zijn secretaris, maar dat wil niet zeggen dat hij geen bestuurlijke of andere talenten bezat. Joseph De Kuijper was niet bang om zijn antecedenten te gebruiken om in de hogere kringen door te dringen.

Doordat Jacot zijn zaken in Veghel behartigde had Joseph meer tijd om aan zijn verdere politieke carriŤre te besteden. Een logische stap was om na de plaatselijke politiek de provinciale politiek in te stappen. Dit was ook de gedachtengang van Joseph de Kuijper. Toen hij zich in het verkiezingsjaar 1821 verkiesbaar liet stellen in het kiesdistrict Sint Oedenrode, won hij van de radicale Helmonder P. Verhoysen, voormalig lid der Nationale Vergadering in 1795.

Volgens de richtlijnen moesten in de Provinciale Staten zetels worden toegekend aan vertegenwoordigers van drie standen, de adel, de steden en het platteland. De adelstand, gevormd door de ridderschap, vormde een probleem in Noord-Brabant. Dat kwam omdat deze ridderschap nooit enig aandeel in het bestuur had gehad en omdat het aantal edellieden zeer klein was.

-- Joseph, zijn grootvader Joannes de Cuyper / de Kuyper, had vermoedelijk de landerijen die in het bezit waren van familie De Cupere / De Cuyper verkocht voordat hij zich als poorter vestigde in Rotterdam en daarmee ook de landsadellijke titels verloren. Het kasteel en landgoed Keervliet is vermoedelijk tijdens de watersnoden van 1600 verzwolgen door de zee. Het grote failliet van 1676 waarin de Vlaamse en Hollandse tak na de verwoestingen aangericht in Breda en Den Bosch na de katholieke vervolgingen- Ze moesten vluchten en al hun bezittingen achter latend ten prooi van de vernietiging der gereformeerden.--

Een Brabantse commissie, die zich met dit probleem bezig hield, besloot tot de volgende verdeling der zetels: De ridderschap kreeg ťťnzesde deel, de steden kregen de helft en het platteland tenslotte kreeg ťťnderde deel. Joseph de Kuijper was een grootgrondbezitter en had daarmee actief kiesrecht voor de stand der landeigenaren - ook wel de stand der eigenerfden -

De Provinciale Staten vormden in theorie het hoogste bestuursorgaan in de provincie, maar in de praktijk waren hun taken marginaal. Zij bekrachtigden de beslissingen van gouverneur en Gedeputeerde Staten. Hun voornaamste werkzaamheid was het verkiezen van gedeputeerden en Tweede Kamerleden.. Doordat de Provinciale Staten slechts enkele dagen per jaar vergaderden werd het dagelijks bestuur gevormd door de Gedeputeerde Staten met de gouverneur als voorzitter. De gouverneur bekommerde zich om de grote lijnen in het bestuur en om de benoemingen van hoge ambten, terwijl de gedeputeerden waren belast met de administratie en de financiŽn.

Tegenstellingen binnen de Staten

Met zijn verkiezing tot lid van de Provinciale Staten werd De Kuijper meteen in het diepe gegooid. Hij kwam midden in een strijd binnen de Staten terecht, die ging tussen katholiek en protestant, tussen Oost en West Brabant en tussen regering gezindten en oppositie. Deze tegenstellingen behoeven enige uitleg.

De eerste tegenstelling ligt voor de hand en ontwikkelde zich al snel in de Staten na de benoemingen van 1815. Tijdens de Republiek mochten katholieken geen politieke ambten bekleden en hadden zij geen kiesrecht. De ambten in Brabant werden uitgeoefend door protestanten, die als bevolkingsgroep een minderheid vormde in het overwegend katholieke gebied. Koning Willem I, streefde in zijn politiek naar evenwicht tussen Noord en Zuid en tussen protestant en katholiek. Hij probeerde de ambtelijke posten voor zover mogelijk eerlijk te verdelen onder protestanten en katholieken en onder Noordelijke en Zuidelijke Nederlanders.

Door de nieuwe kieswet kon iedereen die een bepaalde som aan belasting betaalde kiezen en gekozen worden - censuskiesrecht - en zodoende ontstond er in het zuiden een overgrote meerderheid aan katholieke kiezers en gekozenen. Het door de koning ingestelde evenwicht tussen katholieken en protestanten werd dan ook vlug afgeschaft, nadat bleek dat er veel meer katholieken dan protestanten in de vertegenwoordigende lichamen waren gekozen. Hierdoor verloren de protestanten hun bevoorrechte positie en het enige terrein waar zij het nog voor het zeggen hadden was de Ridderschap. Dit kwam omdat de meeste edelen in Noord-Brabant protestants waren, maar daarin kwam direct in 1814 verandering met de toelating van de katholieke adelsgeslachten uit de katholieke enclaves.

De tweede tegenstelling, die tussen Oost-Brabant en West-Brabant, is eeuwenoud en zelfs vandaag de dag nog merkbaar.

Het gaat hierbij precies om de tegenstelling tussen de Meierij enerzijds en Baronie/Markiezaat anderzijds. Doordat zij nooit met elkaar verenigd waren, vormden zij geen gewestelijke eenheid. Zelfs tijdens de Bataafse Republiek waren zij ingedeeld bij twee verschillende departementen. Na 1813 speelde de verdeling van de belastinggelden - admodiatie - een belangrijke rol in de onenigheid. Dat kwam omdat de Provinciale Staten bepaalden wat de verschillende gemeenten aan belasting moesten afdragen. Aangezien de Oost Brabantse Statenleden in de meerderheid waren dachten de West Brabanders dat zij benadeeld zouden worden en dat hun gemeenten meer moesten afdragen.

Uiteindelijk is deze admodiatie er toch gekomen door de beslissende stem van de gouverneur, maar er waren geen aanwijsbare nadelen voor West Brabant. De laatste tegenstelling was die, zoals gezegd, tussen regeringsgezinde en oppositie. De meeste regeringsgezinde kenmerkten zich door het steunen van de politiek van koning Willem I, en probeerden daarmee hun eigen politieke carriŤre veilig te stellen. Daar de koning nog veel macht bezat en met name bij de ambten benoemingen leek deze weg de veiligste om te bewandelen.

De oppositie daarentegen liet soms enige kritiek doorschemeren op het regeringsbeleid en zij probeerden de gouverneur onder druk te zetten om zich tegen de koning te verzetten. Het ging dan vooral om de houding van de gouverneur in godsdienstige kwesties. Joseph de Kuijper was een regeringsgezinde politicus en hij probeerde een goed vaderlander te zijn, hij stond vůůr de koning en verdedigde de politiek van koning Willem I, tegen reactionaire elementen.

De Kuijper was wel katholiek, maar liet dat in zijn politieke handelen niet overduidelijk merken. Zoals gezegd behoorde hij tot de regeringsgezinde en hierin stond hij zeker niet alleen in de provinciale politiek.

Mannen zoals Van Meeuwen, Van de Mortel, Van Rijckevorsel en Van Velthoven volgden dezelfde koers. Hierover later meer

De kwestie ‘Holvoet’

De toenmalige gouverneur, B.J. Holvoet, moest zich tussen de verschillende facties staande houden en allen tevreden houden. Daarbij kwam nog dat hij de besluiten van de koning en de regering diende uit te voeren in zijn provincie. Als daarbij tegenstand ontstond, moest hij dat zelf oplossen. In de loop van 1820 kreeg Holvoet dan ook steeds meer problemen met de Staten en met de Noord Brabantse afgevaardigden in de Tweede Kamer. De ruzies tussen de gouverneur en de Staten hadden meestal als inzet de bevoegdheden van Gedeputeerde Staten in zake de aanstelling en salariŽring van de ambtenaren bij het gouvernement.

De gedeputeerden meenden als zijnde het hoogste bestuurscollege het volledige gezag te hebben over de provinciale ambtenaren. Tot driemaal toe echter bepaalde de koning, op klachten van de gouverneur en de Staten, dat deze macht berustte bij de gouverneur.

In het najaar van 1821 werd de belangrijkste tegenstrever van de gouverneur in de Gedeputeerde Staten, A.J. Borret, in de Raad van State benoemd. Hierdoor dacht de gouverneur van een lastpak af te zijn en hij liet snel een plaatsvervanger in de Staten aanwijzen. De gedeputeerden beklaagden zich met het reglement in de hand bij de Minister van Binnenlandse Zaken. In dit reglement van de Staten werd niet gesproken over de onverenigbaarheid van de twee zetels.

De minister stelde de gedeputeerden ditmaal in het gelijk, mits Borret in Noord-Brabant bleef wonen. Doordat de gedeputeerden nu eindelijk een keer in het gelijk waren gesteld bekoelde de situatie weer en keerde de rust weer voor even terug.

Een Koninklijk Besluit van 14 februari 1822 wijzigde de situatie en liet het vuur weer aanwakkeren. Hierin werd namelijk bepaald dat de gouverneur, naast het benoemingsrecht van ambtenaren bij het provinciaal bestuur, ook hun salaris mocht regelen. Holvoet heeft de inhoud van het koninklijk schrijven waarschijnlijk niet meegedeeld aan de gedeputeerden en besloot hen meteen met de veranderingen in de wet te confronteren.

De gouverneur maakte een reorganisatie van zijn staf - die uit provinciale ambtenaren bestond - bekend, wat onder andere resulteerde in ontslagen, loonsverlaging en tot de benoeming van een nachtbode bij het gouvernement voor 150 gulden traktement per jaar. - vergelijk het salaris van een burgemeester van 225 gulden -

Er was voordien nog nooit een nachtbode geweest en wat de gedeputeerden voornamelijk dwars zat was het gegeven dat het traktement van de nieuwe bode zou worden afgetrokken van het salaris van de twee huidige boden. Vooral dat laatste en het ontslag van een neef van gedeputeerde Sassen, waren de gedeputeerden een doorn in het oog.

Op 4 juli verlangden zij inzage in het reorganisatie besluit, maar kregen nul op het rekest van gouverneur Holvoet. In juist deze turbulente periode kwam Joseph de Kuijper het strijdperk ingetreden, want op 5 juli 1822 werd hij gekozen in Gedeputeerde Staten.

In de notulen van de Provinciale Staten staat daarover het volgende vermeld:

‘Is daartoe overgegaan ... tot de keuze van een lid,

in plaats van Mr. J.F. De Roy van Zuydewijn,

en dus voor eenen tijd van zitting gedurende twee jaren.

Bij de eerste stemopneming geene volstrekte

meerderheid op iemand gevallen zijnde,

is bij de tweede stemopneming bij volstrekte

meerderheid benoemd De Heer Josephus De Kuijper,

dewelke als lid van voorschreven College

geproclameerd zijnde, heeft verklaard

dezen post te zullen aannemen.’

De gouverneur hield zich in de maand juli opvallend rustig en liet zich niet van de wijs brengen door de vragen van gedeputeerden. Ondertussen keurden zij de reorganisatie goed noch af.

De gedeputeerden voelden dat Holvoet niets deed om de situatie te verbeteren en zij richtten zich tot de regering met het verzoek meer duidelijkheid te geven over de kwestie. Van dit verzoek en van een andere brief aan de koning over de ontslagen klerk Sassen, maakte de gouverneur op 12 juli rapport op en zond dit aan de minister van Binnenlandse Zaken. In dit rapport noemt hij de ambtenaren van zijn staf onbetrouwbaar en onbekwaam.

Het toeval wil dat de ontslagen klerk Sassen het rapport onder ogen kreeg en zodoende was de inhoud de volgende dag in heel de stad bekend. Dit gaf aanleiding tot heftige discussies binnen de Gedeputeerde Staten en de verontwaardiging over de gehele gang van zaken was groot. Alle partijen zagen aankomen dat de kwestie tot een uitbarsting zou leiden, mits er actie werd ondernomen.

De minister van binnenlandse zaken probeerde de zaak te sussen, door de gouverneur te vragen wat omzichtiger te werk te gaan. Op advies van deze minister liet de koning de brief van gedeputeerden onbeantwoord.

Daarmee keurde hij het reorganisatie beleid van Holvoet goed, maar wist voorlopig een escalatie te voorkomen. Het was uiteindelijk gouverneur Holvoet die zijn kalmte verloor en op 12 augustus van de gedeputeerden eiste dat zij hun beschuldigingen, die zij hadden geuit in hun brief naar de koning, introkken. Als zij dit weigerden, dan zou de gouverneur alle niet-ambtelijke relaties met hen verbreken.

De gedeputeerden reageerden weer met een brief naar de koning en die besefte dat de situatie niet langer houdbaar was. Ook de minister van Binnenlandse Zaken, De Coninck, begreep dat er snel iets moest gebeuren en dat escalatie voorkomen diende te worden. De gouverneur leek zelf de oplossing aan te dragen door op 13 augustus de koning om verlof voor onbepaalde duur te vragen, wegens zijn slechte gezondheid.

Volgens zijn dokter had de gouverneur last van inwendige kwalen en ook van geesteskwellingen en slapeloze nachten. De volgende dagen stuurde hij nog twee van zulke verzoeken en tevens een verzoek om eerherstel. Het enige probleem dat de gouverneur signaleerde was de vraag wie als waarnemend gouverneur moest gaan optreden.

Geen lid van Gedeputeerde Staten mocht hiertoe worden benoemd, daar zij zich tegen de gouverneur hadden opgesteld. Nadat hij enkele dagen op het antwoord van een twijfelende koning had gewacht, nam de gouverneur het heft in eigen hand. Op 26 augustus werd procureur Van Blarkom om 5 uur ‘s morgens bij het gouvernement ontboden en door een duidelijk overspannen gouverneur ontvangen. Daar kreeg hij samen met de kapitein der marechaussee de opdracht om de klerk Sassen te arresteren, het gouvernementsgebouw te bewaken en patrouilles door de straten van Den Bosch te zenden.

Vertrouweling van de gouverneur

Joseph de Kuijper heeft die morgen een brief van de gouverneur gekregen, waarin deze stelde dat hij het:

‘om pregnante redenen, heeft noodig gevonden

de bijeenkomst van het Collegie van Gedeputeerde Staten,

welke heden plaats moest hebben, niet te doen houden.’

Hij heeft De Kuijper, als ‘gedelegeerd president van het college van Gedeputeerde Staten’, verzocht de leden van de Staten van deze brief kennis te geven en hij verlangde tevens ‘

dat de eerstvolgende vergadering, alleen dan

wordt gehouden, wanneer ik deswegend

nader mijne intentie zal hebben te kennen gegeven.’.

Joseph de Kuijper, pas sinds kort in de Gedeputeerde Staten, was na ruim een maand - zijn negende vergadering in de Gedeputeerde Staten! - op 12 augustus al voorzitter van Gedeputeerde Staten bij de afwezigheid van de gouverneur. Als reden voor zijn absentie wordt in de notulen de gezondheidstoestand van gouverneur Holvoet genoemd.

Van Kempen verbaasd zich enigszins over het feit dat Joseph de Kuijper, pas in de Gedeputeerde Staten gekozen, meteen door de gouverneur als contactpersoon wordt gebruikt. Gezien het feit dat Joseph de Kuijper al enige tijd als plaatsvervangend voorzitter functioneerde was de brief van de gouverneur aan hem een logische stap. De gouverneur vertrouwde zijn plaatsvervanger, die hij kende als een gouvernementeel persoon en die de laatste vier vergaderingen zonder problemen had geleid.

Joseph de Kuijper stelde inderdaad zijn medeleden op de hoogte van de schorsing van de vergadering, maar belegde echter tevens een buitengewone, geheime vergadering! Deze vond ‘s morgens om half 11 plaats buiten medeweten van de gouverneur.

Tijdens deze vergadering werd besloten ‘ten aanzien van de door de gouverneur op heden genomen arbitraire maatregelen’ een adres aan de minister van binnenlandse zaken te sturen. De gedeputeerden namen nu het heft in eigen handen en verzochten de minister om maatregelen jegens de kennelijk ‘geestelijk gestoorde’ gouverneur. De volgende dag was de gouverneur bedaard en hij liet Joseph de Kuijper weten dat de schorsing voor de gedeputeerden voorbij was.

De situatie bleef echter gespannen en de minister van binnenlandse zaken wist niet wat hij nu met de gouverneur aan moest. Het was uiteindelijk gouverneur Holvoet, die weer zelf met de oplossing van het probleem kwam.

Hij besloot een verlof voor onbepaalde tijd aan te vragen en hield hiermee de eer aan zichzelf. Hij was daadwerkelijk zodanig ziek dat hij enige tijd in een Luikse inrichting verbleef. Daarna kreeg hij het gouverneursambt van West-Vlaanderen aangeboden, zodat er geen gezichtsverlies hoefde te worden geleden. Toen hij ook daar problemen kreeg, werd hij tenslotte in 1826 benoemd tot lid van de Eerste Kamer.

Nasleep van de affaire

Deze hele affaire bevestigde nogmaals de reputatie van de provincie Noord-Brabant als lastige provincie. De koning kreeg zo natuurlijk geen beste indruk van de Brabantse statenleden, die zich kenmerkten door onderling geruzie en door oppositioneel gedrag tegenover de regering.

De statenleden raakten steeds meer bezorgd om de indruk die de koning van hen kreeg en wilden daaraan zo spoedig mogelijk iets doen. Vooral naar aanleiding van het vertrek van Holvoet meenden zij zich bij Willem I, te moeten verweren om van dat imago van lastposten af te komen.

Er kwam een voorstel op tafel om een afvaardiging van Gedeputeerde Staten naar de koning te zenden, maar dit voorstel werd niet door een meerderheid gesteund. Ondertussen ging het onder de nieuwe gouverneur Van Vredenburch, - snel als tussenoplossing rond de broeierige situatie benoemd - een stuk beter. Deze Ewout van Vredenburch stamde uit een voornaam Delfts regentengeslacht en had reeds vele hoge ambten in het koninkrijk bekleed.

Hij vormde een uitzondering voor wat betreft zijn herkomst ten opzichte van andere gouverneurs in die periode. Tussen de Vlamingen Holvoet, Burggraaf van der Fosse, en Van den Bogaerde van Terbrugge, was hij de enige Noord Nederlandse gouverneur van Noord Brabant in de periode van 1820 tot 1843. Het beleid van de koning was in die periode gericht op het integreren van de Zuidelijke Nederlanden in het koninkrijk. Noord Brabant speelde hierbij een belangrijke rol, omdat het een grensprovincie was.

Koning Willem I, probeerde zoveel mogelijk Zuid Nederlandse ambtenaren in het noorden te benoemen en zuiderlingen een ambt te geven in het gebied van de oude Republiek. Hiermee wilde hij de politieke integratie bewerkstelligen, die als voortrekker diende voor de verdere integratie.

Een verklaring voor het onderbreken van deze politiek met de benoeming van Van Vredenburch is volgens Van Kempen niet eenvoudig te geven. Van Vredenburch werd mogelijk te snel als waarnemend gouverneur benoemd. Een half jaar later zag de minister van Binnenlandse Zaken geen reden om diezelfde Van Vredenburch te passeren bij de definitieve benoeming.

In het laatste halfjaar hadden zich echter al veel andere kandidaten gemeld voor de functie van gouverneur. Onder hen bevonden zich veel kandidaten uit Noord-Brabant zelf, waaronder Cuypers en Van Sasse van Ysselt. Rond de kandidatuur van deze twee personen ontstond weer een strijd in de Staten. Dat kwam doordat deze kandidaten uit de twee verschillende kampen van Noord-Brabant kwamen.

De tegenstelling katholiek / protestant leek in kracht af te nemen, maar de regionale tegenstelling tussen West en Oost Brabant wonaan terrein.Cuypers kwam uit West-Brabant, en Van Sasse van Ysselt kwam uit het oostelijke deel van de provincie. Tussen de aanhang van beide mannen ontstond een strijd met de gouvernementszetel als inzet. De koning maakte, op aandrang van minister De Coninck, een einde aan deze strijd door Van Vredenburch op 27 maart 1823 als derde gouverneur van Noord-Brabant te benoemen.

In zijn beginperiode als gouverneur (1822-1825) leek de rust te zijn wedergekeerd. De Brabanders leken geschrokken te zijn van al het tumult in de laatste jaren en verlangden zelf naar rust op het politieke front.

Factievorming

De betrekkelijke rust werd ieder jaar, zoals gewoonlijk, verstoord door de verkiezingen.

Met name de verkiezing van leden voor de Tweede Kamer vormde een heet hangijzer, vooral door de genoemde regionale tegenstelling. Uit deze controverse groeide in de loop van 1824-1825 de tegenstelling tussen twee facties.

De twee belangrijkste facties die in de jaren ‘20 ontstonden waren die rond Henry de Wijs en Victor van Rijckevorsel. Van deze facties is geen vaste samenstelling te geven, omdat die elk - verkiezings - jaar weer verschilden. De factie De Wijs werd meestal aangeduid als de ‘klerikale’, ‘ultramontaanse’ of ‘priesterpartij’. Zij stonden achter de katholieke zaak, maar waren zeker geen uiterst conservatieve partij.

Politieke partijen bestonden nog niet in het begin van de 19e eeuw, zij waren in de eerste decennia van het Koninkrijk ondenkbaar. Een partij vormen zou betekend hebben het beter te willen weten dan de koning, en er was niemand die het waagde een dergelijke pretentieuze positie in te nemen. Er was eerder sprake van enkele politieke voormannen met een kleine kern van getrouwen en met daaromheen een netwerk van medestanders, die de benaming ‘partij’ of ‘factie’ kregen.

Zij waren eerder te kenmerken als liberaal en geÔnspireerd door de Romantiek en wilden een volledige erkenning van het katholieke Brabant. Het ultramontaanse element had als maatschappelijk doel het terugdringen van de staatsinvloed op de kerk en het openbare leven. Bij het streven naar dit doel werd door hen gebruikt gemaakt het liberale gedachtegoed, met name wat betreft de vrijheid van onderwijs en drukpers.

Zij durfden het aan om tegen het beleid van Willem I, te ageren en het waren karakters en dus enkelingen, die recht tegen de verdrukking optornden.

‘t Waren mannen, die ondanks alles fier waren in hun Katholicisme.’

Dankzij zijn steun aan de ‘Bossche factie’ wist Joseph de Kuijper met zijn familie in de jaren ‘30 dit complex binnen te dringen. Huwelijken van zijn dochters met van Sasse van Ysselt, en Van Rijckevorsel werden geslotenDe andere factie rond de Bossche wijnhandelaar Van Rijckevorsel bestond voor het grootste deel uit een oudere generatie van katholieken, die het regeringsstelsel van Willem I onvoorwaardelijk steunden. Zij hekelden de rationalistische invloed die de Romantiek op het katholieke geloof had gehad. Joseph de Kuijper maakte vanaf het begin deel uit van de laatstgenoemde factie, die de bijnaam ‘Bossche factie’ kreeg.

‘s-Hertogenbosch was het centrum van deze factie en de meeste leden ervan kwamen uit welgestelde, Bossche rooms-katholieke families. Deze families vormden gedurende de 19e eeuw een ingewikkeld complex, waarin zij door huwelijken aan elkaar verbonden waren.

De Beekvliet-affaire, het bijna Waterloo.

De eerste maal dat deze groeiende controverse tussen de facties aan het licht kwam was in de zomer van 1826. Het jaar daarvoor had de koning namelijk de zogenaamde Junidecreten uitgevaardigd. Deze decreten hielden de sluiting in van alle klein-seminaries in het land. In de plaats van deze seminaries, waar jonge katholieke geestelijken werden opgeleid, kwam er een Collegium Philosophicum. Aan deze rijksschool te Leuven zouden voortaan de opleidingen voor geestelijken plaatsvinden. Dit was natuurlijk tegen het zere been van de katholieke bevolkingsgroep waaronder de inwoners van het huidige BelgiŽ.

bVoormalig Beekviet seminarie te St.Miechelsgestel, thans verbouwd tot woningen

Deze decreten van Willem I worden vaak als een van de oorzaken van het uiteenvallen van het Verenigd Koninkrijk genoemd. En ook in Noord Brabant stootten zij op een heftige tegenstand.

In deze provincie betrof het besluit het klein-seminarie Beekvliet te Sint Michielsgestel, dat op 19 september 1825 moest worden gesloten. Ondanks de vele heftige reacties die de sluiting opriep duurde het nog tot juli 1826 voordat de Staten tot protestacties overgingen. De Provinciale Staten vergaderden immers slechts enkele weken per jaar in de maanden juli en augustus.

De factie De Wijs had zo lang kunnen nadenken over wat te doen en zij besloot om een adres aan de koning te sturen. Op 6 juli 1826 deed Martinus de Wijs een voorstel aan de Staten om door middel van dit adres de koning om herziening van zijn Junidecreten te vragen. Dat juist Martinus de Wijs dit voorstel deed, had als oorzaken dat ‘factieleider’ Henry geen zitting had in de Staten en dat Martinus een minder ultramontaanse reputatie had.

P. Kuyer schetst de situatie juist door te schrijven dat de Staten van BrabantHet zenden van een protestadres was een gedurfde stap, want tot dan toe had niemand het gewaagd om tegen de besluiten van de koning in te gaan.

‘de moed hadden tegen de onderwijspolitiek

van de koning in het algemeen en tegen

het bijzonder protest aan te tekenen.

de sluiting der seminaries in

De commissie die belast werd met het opstellen van de uiteindelijke inhoud van het adres nam wat gas terug en verzachtte de formulering. De inhoud van het adres bestond uit een voorstel.

Juist door deze moed bevond de gouverneur zich in een lastig parket, omdat hij twee partijen - koning en Staten van Brabant - tevreden moest houden.

De Staten van Brabant zijn niet tegen het Collegium Philosophicum,

‘maar wilde de komst op zelve niet noodzakelijk maken,

of het Collegium Philosophicum.

en aan elk de keuze vrijlaten tusschen een klein-seminarie

Hemd nader dan de rok

Het voorstel van De Wijs werd met flinke meerderheid (25 tegen 14) aangenomen en er werd een commissie aangesteld die het voorstel moest uitwerken. Onder de tegenstemmers waren de meeste protestanten, de gouverneur en drie katholieken. Allard noemt van deze namen slechts de beginletter: Mr. S...., De K..... en Mr. V.... Uit de door Allard opgegeven initialen kon Van Sasse van Ysselt de volgende namen maken, namelijk die van J. Sassen, P. Verhoysen en Joseph de Kuijper.

Jan Sassen, de ‘Candidus Brabantus’, was een controversieel figuur en bleef onafhankelijk door zich bij geen enkele factie aan te sluiten.

Verhoysen, al eerder genoemd bij de statenverkiezingen in 1821, was echter een aanhanger van De Wijs. Volgens Van Kempen werd De Wijs in zijn voorstel -om herziening van de Junidecreten,- gesteund door de Helmondse advocaat P. Verhoysen.. Het zal vermoedelijk niet zo zijn dat, zoals Van Sasse van Ysselt beweert, Verhoysen tegen het voorstel zou hebben gestemd.

A.J. de Voocht, tevens gedeputeerde, wordt door Van Kempen voortdurend in verband met de familie De Wijs genoemd en zal dus beslist niet hebben tegengestemd.Wie is deze onbekende Mr. V.... dan wel?

Ook Vergroesen, een afgevaardigde uit Bergen op Zoom, wordt meerdere malen genoemd bij de factie De Wijs, en stemde in 1829 tegen de regeringskandidaat De la Court bij de verkiezingen voor de Tweede Kamer. De enige die nog overblijft is de Eindhovense rechtbankpresident A. van Velthoven, een ‘katholiek van het zeer conservatieve soort. Van Velthoven was uiterst regeringsgezind fel gekant tegen de bemoeienis van de katholieke geestelijkheid met de politiek. Net als Joseph de Kuijper behoorde hij tot de oudere generatie katholieken, die gewend waren aan overheidsbemoeienis met de kerk. Van Velthoven kan dus met grote mate van zekerheid worden genoemd als de vierde tegenstemmer. De katholieke tegenstemmers werden door hun geloofsgenoten gezien als;

Na enig speurwerk blijven er nog drie namen, allen beginnend met een V, over van personen die in de zomer van 1826 zitting hadden in de Provinciale Staten. Dit zijn de heren De Voocht, Vergroesen, en Van Velthoven.

"verraders van het ware geloof".

Zij lieten hun eigen belang -zoals de protestanten- prevaleren boven dat van de katholieke zaak en maakten zich hiermee niet echt populair bij de overige Statenleden. Zelfs enkele protestantse leden hadden vůůr inzending van het adres gestemd en lieten zien dat zij allesbehalve marionetten van Willem I, waren.

In de loop van juli werd het conceptadres opgesteld en werden de katholieke tegenstemmers fel onder druk gezet door de factie De Wijs. Het concept werd echter ook

‘zoo voorzichtig en bescheiden gesteld, dat het algemeenen bijval vond,

zelfs onder diegenen, die tegen de propositie waren en aangenomen werd met 38 tegen twee stemmen. De twee volhoudende tegenstemmers waren J.Sassen en natuurlijk de gouverneur, die zijn positie steeds meer zag wankelen. Hij was immers aangesteld om het beleid van de koning te verdedigen en uit te voeren in de provincie. Als er meningsverschillen ontstonden zoals in deze kwestie, dan was het bijna onmogelijk om beide partijen tevreden te houden. In de meeste gevallen koos de gouverneur de zijde van de koning, zijn werkgever.

Tegelijkertijd kon hij niet om de meerderheid in de Staten heen en er bleef voor Van Vredenburch niets over dan het adres aan de koning te zenden. De koning reageerde woedend over deze ‘insubordinatie’ van de Staten en was verontwaardigd over het gedrag van zijn gouverneur.

De koning verplaatste de belastingambtenaar De Wijs naar Friesland. Maar De Wijs wist deze maatregel te ontwijken door ontslag te nemen als belastingambtenaar en zo in Den Bosch te kunnen blijven wonen. Zo kon hij zich blijven inzetten in de provinciale politiek en leiding blijven geven aan zijn factie.In tegenstelling tot eerdere conflicten tussen Staten en gouverneur ging de koning direct over tot maatregelen. Hij plaatste Van Vredenburch over naar de provincie Zeeland, wat in die tijd een enorme degradatie was. Ook de initiatiefnemer van het adres, Henry de Wijs, moest op het matje komen.

Het Beekvliet seminarie bleef ongewijzigd geopend. Uiteindelijk werd het in 1960, na ook nog een rol te hebben gespeelt in de tweede wereld oorlog gesloten. Thans dient het gebouw als woning voor alleenstaanden.

- Auteur heeft tijdens de verbouwing van voormalig seminarie Beekvliet tot woningen in 1993 enkele brokken graniet uit de puincontainer kunnen redden. Deze heeft hij bewerkt en gegraveerd, opgedragen aan Joseph Fransiscus de Kuijper.-

Een verstandig besluit?

Joseph de Kuijper hoefde niet te duchten voor enige strafmaatregels van de koning. Hij had gedaan wat volgens hem elke rechtgeaarde vaderlander zou hebben gedaan, namelijk het steunen van het regeringsbeleid. Hij wist natuurlijk dat hij met zijn conservatieve houding de woede zou opwekken van de voorstanders en met name van het adres van de factie De Wijs.

Toch besloot hij in eerste instantie tegen te stemmen en hoopte zo een goede indruk te maken bij de koning. Hij had de koning laten zien dat hij er nagenoeg alles aan had gedaan om het beleid van de koning te verdedigen. Later zou de koning hem voor deze trouw dan ook belonen.

Door bij de laatste en definitieve stemming vůůr het adres te stemmen omdat de verzachte opstelling beide mogelijkheden van de seminaries openbleven, zorgde Joseph de Kuijper zo ook de factie De Wijs weer tevreden te stellen met deze politieke opstelling

Met zijn pragmatische houding - inspelend op de feiten zoals deze zich voordoen - zocht hij een veilige weg uit het politieke geharrewar rond deze zogenaamde eerste petitiebeweging.

De aanhang van Henry de Wijs was de acties van de ‘dissidente’ katholieken echter niet vergeten en zij werden door de klerikalen in de politieke ban gedaan. Joseph de Kuijper werd hiermee geconfronteerd tijdens de verkiezingen van 1827.

Zijn tegenstanders wisten in de verkiezingsmaand juni de herverkiezing van Joseph de Kuijper te verhinderen, zodat hij zonder zetel naar Veghel moest terugkeren. In de Provinciale Staten werd hij vervangen door de klerikaal H. Smits uit Eindhoven.

Met het verdwijnen van Joseph de Kuijper uit de Staten, kwam er ook een plaats in de Gedeputeerde Staten vrij. Henry de Wijs, op dat moment zonder functie, zag in deze open plaats een mogelijkheid om terug te keren op het politieke toneel.

De Bossche factie verloor, naast Joseph de Kuijper, nog een lid uit de Gedeputeerde Staten en zag zijn positie afbrokkelen. Door politiek handjeklap wist de Bossche factie het op een akkoordje te gooien met de West Brabantse Statenleden door ťťn van hen als gedeputeerde te benoemen.

Hiermee eindigde een bewogen periode voor Joseph de Kuijper, waarin hij tot een omstreden figuur in de provinciale politiek uitgroeide. Joseph de Kuijper nam met pijn in zijn hart afscheid van de provinciale politiek en gaf de schuld aan zijn politieke tegenstanders, zoals later zou blijken uit zijn brieven naar de koning.

Uitgespeeld was hij echter nog lang niet.

Adelsverheffing

Adelspolitiek van koning Willem I

Zoals gezegd was Joseph de Kuijper behoorlijk geÔrriteerd over zijn gedwongen afscheid van de provinciale politiek. Waarschijnlijk heeft hij dit alles wel aan zien komen, want hij was inmiddels weer volop bezig om de volgende stap in zijn carriŤre te zetten.

Reeds in 1825 ondernam hij stappen in deze richting door op 1 mei van dat jaar een verzoek om Adelsverheffing naar de koning te zenden. Bij een verheffing in de adel kreeg de desbetreffende persoon een Adelsdiploma van de koning en mocht een adellijke titel voeren.

In de zuidelijke gebieden was het aantal adellijke geslachten veel groter dan in de voormalige Republiek. En omdat koning Willem I, in alles zoveel mogelijk streefde naar evenwichtigheid, gold dat ook voor zijn Adelspolitiek. In de jaren na 1815 werden dan ook 51 Noord Nederlandse regentengeslachten in de adel verheven.In die tijd bestonden er drie vormen van nobiliteit om de Nederlandse adel uit te breiden: erkenning, inlijving en verheffing. Alleen bij verheffing ontstond nieuwe adel, de twee anderen voegden reeds bestaande adel bij de erkende adel. De inlijving van adelgeslachten vond vooral plaats vlak na 1815, toen de Oostenrijkse Nederlanden bij het Koninkrijk der Nederlanden werden gevoegd.

Naast de evenwichtspolitiek speelde nog een factor bij de benoemingen: Voor de nieuwe stand der Ridderschappen waren natuurlijk edellieden nodig. Het is duidelijk en ongetwijfeld zo dat de koning in de eerste jaren van zijn bewind een zekere welwillendheid heeft getoond bij de nobiliteit van regentengeslachten. Het is echter niet zo dat hij willekeurig op elk verzoek tot verheffing inging, want hij volgde een duidelijk Adelsbeleid. Dat beleid hield in dat er werd gestreefd naar het genoemde evenwicht en ook naar een strakke regulering van de adellijke privileges.

We zagen dat al in het eerste hoofdstuk bij de afschaffing van de heerlijke rechten in 1818. De voorname Adelsgeslachten in de Zuidelijke Nederlanden waren door hun Oostenrijkse monarchen altijd met voorrechten behandeld en met deze bevoorrechte positie moest het afgelopen zijn. Om de koning te adviseren in de Adelszaken werd in 1814 de Hoge Raad van Adel opgericht. Zij behandelden de verzoeken tot Adelsverheffing en deden onderzoek naar de achtergrond van de aanvrager. Hun rapport en advies stuurden zij door naar de koning, die daarop een besluit nam. Willem I, week meer dan eens af van de adviezen die de raad verstrekt en ook zijn opvolgers gaven er lang niet altijd gehoor aan

Zelfs diegenen die hun hoge positie verkregen hadden in de Franse tijd en eventueel al door Napoleon geadeld waren, konden op de sympathie van koning Willem I, rekenen. Naast hun maatschappelijke positie was ook de familieachtergrond van de verzoeker zeer belangrijk. Omdat de koning een erfelijke adel had ingesteld moest hij er zeker van zijn dat niet alleen de verzoeker, maar zijn ook zijn familie, de Adelstitel waardig bleken.Tijdens de eerste jaren van het bewind van de koning had de raad, gezien de vele verzoeken en verheffingen, een redelijke stem in het Adelsbeleid. Naarmate het aantal verheffingen minder werd en nadat in 1848 de adelstand wordt afgeschaft, verdwijnt ook de invloed van de Hoge Raad van Adel. Pragmatisch beleid gericht op de nieuwe bestuurselite

In haar korte actieve geschiedenis was de Hoge Raad van Adel vooral een instrument van Willem I. De raad werkte niet met vaste, duidelijk omschreven regels, maar hield zich aan de richtlijnen die de koning verkondigde. Het beleid dat hieruit voortvloeide was pragmatisch en een afdruk van het Adelsbeleid van koning Willem I. De Adel moest volgens hem bestaan uit de heersende elite in het koninkrijk. Zij die leidende posities bezetten kwamen in aanmerking voor een Adelsdiploma.

Zowel de persoon als zijn familie moesten naast hun hoge positie tevens blijk hebben gegeven van hun trouw aan de koning.

Beweegredenen voor Joseph de Kuijper

Joseph de Kuijper dacht in 1825 dat hij en zijn familie aan de voorwaarden voldeed om een Adelsdiploma te verkrijgen. De vraag is waarom Joseph de Kuijper zoveel belang hechtte aan een adellijke titel.

Er zijn enkele redenen voor het verzoek.

De eerste was dat Joseph de Kuijper al een wapen mocht voeren. Het wapen de Cupere een groen Gotisch schild met heremlijnen andreaskruis. Door zijn afkomst en het verdwijnen van de titels uit zijn familie, was het niet meer mogelijk om in aanmerking te komen via inlijving.

Ten tweede door zijn functie in de Staten kwam hij veel in aanraking met de Bossche elitefamilies. En hoewel deze families lang niet allemaal van adel waren, kunnen zij toch zeker tot de regenten worden gerekend. Als grondbezitter uit het kleine dorp Veghel maakte hij minder indruk, dan als Jonkheer De Kuijper.

De derde reden heeft te maken met zijn kinderen. Als Statenlid had De Kuijper zich weten te nestelen in de hogere burgerkringen in ‘'s-Hertogenbosch, het zogenaamde Bossche familiecomplex. Om te integreren in dit adellijke complex was een adellijke titel noodzaak. Zijn nageslacht zou door huwelijken goed gebruik weten te maken van de erfelijke titel en ging in de loop van de negentiende eeuw deel uitmaken van de elite.

Enkele voorbeelden hiervan zijn

Dochter Maria Angelique Josephine huwde met Jean-Louis Sasse van Ysselt, zoon van Louis, ridder in de orde van de Nederlandse Leeuw.

Dochter Charlotte Therese Alphonsine, Huwde met Dominque Blankenheym, Deze was Commandeur in de orde der Nederlandse Leeuw.

kZoon Eduard Joseph Corneille Maria, huwde met Veronique Cornelie, Smits van Eckhart, hij werd zelf burgemeester van 's-Hertogenbosch, en hierna gouverneur van Limburg.

Dochter Therese Angelique Constance Victorine, huwde met Fransis Jean Joseph van Ryckevorsel- Van Kessel, zoon van August Theodore Baron van Ryckevorsel- Van Kessel

vZoon Victor Ferdinand August Henry, huwde met Louise Theresia Maria Janssen, dochter van een tak De Kuijper uit de vrouwelijke lijn. Hijzelf werd in navolging van zijn vader burgemeester van Veghel en Erp

De laatste en belangrijkste reden houdt verband met het feit dat Noord-Brabant weinig adellijke families kende. Deze enkele families vormden wel de Ridderschap en mochten een afvaardiging naar de Provinciale Staten sturen. De kans op een plaats in de Staten was veel groter als je een adellijke titel bezat

nnotariele akte van zoon Louis Richard

Zoon Louis Richard Leopold Joseph, huwde met Anne Marie Frederique van Ham, dochter van Nicolaas Pierre en Maria Therese van Hearten de Geldern, laatst genoemde was weer afstammeling van de Graaf van Gelre - Gelderland

fZoon Ferdinand August Leopold Joseph, huwde met Josephine Everarde Maria Hubertine van Ryckevorsel dochter van Bernard Jacques en Elizabeth Maria Claire Vermeulen.

Met deze gedachten in zijn achterhoofd schreef Joseph de Kuijper een brief naar Den Haag. In zijn verzoek aan de koning staat onder andere het volgende:

‘s lands regeering voordeelig te zijn bekend.‘Als lid der gedeputeerde Staten van Noord-Brabant, vertrouwt de ondergetekende in de gelegenheid te zijn geweest, bewijzen van getrouwheid aan uwer Majesteit doorlugtige dynastie, van liefde tot het vaderland, van zugt tot orde, en instandhouding van eendragt onder alle gezindheden te hebben gegeven, en in dit opzigt, bij

Verder schrijft Joseph de Kuijper dat hij een van de grootste grondbezitters is van de provincie en dat hij onder de meest vermogenden behoort. Zijn conclusie is gewaagd, daar hij stelt dat hij een aanwinst zou vormen voor de Ridderschap.

Behandeling van het verzoek

Geheel volgens de procedure wordt het verzoek van Joseph de Kuijper in behandeling genomen door de minister van Binnenlandse Zaken. De minister vraagt dan advies aan de Hoge Raad van Adel. Zij op hun beurt gaan te rade bij de gouverneur in Noord-Brabant, E. van Vredenburch.

Het antwoord van de gouverneur is interessant, omdat het een verdraaid beeld geeft van Joseph de Kuijper als statenlid:

‘De Heer de Kuijper, zoon van een koopman te Rotterdam, wiens verdere origine mij onbekend is ... ...en welke in de negotie veel geld schijnt gewonnen te hebben ... dat de adressant zich voor eenige jaren in Noord Brabant gevestigd hebbende, aldaar heeft aangekocht, de erfelijke Secretarie van Vegchel, dat na de suppressie van dien post, hij aldaar het Notariaat heeft uitgeoefend tot het voorleden jaar 1824, wanneer hij afstand gedaan heeft. Dat hij met een bemiddelde burgerjuffrouw uit Eindhoven gehuwd is en zich in der daad een bemiddeld man en grondeigenaar van goederen bevind te zijn. Dat hij bekend staat als een braaf, eerlijk, algemeen geacht (en voor zoo veel men oordeelen kan:) voor het Gouvernement welgezind persoon, waar van hij steeds blijken geeft in zijne betrekking als lid van de gedeputeerde Staten zonder dat den Staatsraad Gouverneur echter eenige aanleiding gehad heeft, om zeer bijzonder verdiensten in den adressant te veronderstellen.

Tweede Joseph de Kuijper is getrouwd met een "bemiddelde burgerjuffrouw"

.Vier dingen in deze brief zijn opvallend: de gouverneur meldt aan de Hoge Raad van Adel dat Joseph de Kuijper zijn achtergrond hem niet bekend is. Dit is vreemd want introductie bij de koning via de gouverneur, zal Joseph de Kuijper hem zijn genealogisch verleden vast hebben laten weten. Ook het feit dat Joseph zijn oom President der Bataafse Republiek en minister onder Napoleon was zal van Vredenburch niet onbekend zijn geweest.

De Raad was tegen alles wat burgerlijk was en ‘de term ‘burgerlijk’ houdt meestal een vernietigend oordeel in. Daarbij komt nog dat de familie De Kuijper een haar rijkdom te danken had aan een burgerlijke sector, de handel.

Het tweede opmerkelijke is dat gouverneur in zijn brief geen melding maakt van het incident tussen burgemeester De Kuijper en de dorpsbewoners uit 1814. Vermoedelijk moest deze kwestie in de doofpot ook de minister van Binnenlandse Zaken rept in geen enkele brief, betreffende de behandeling van beide verzoeken, over dit voorval.

Tenslotte vormt de laatste zin van het citaat, waarin de gouverneur geen bijzondere verdiensten bij Joseph de Kuijper veronderstelt, een belangrijk argument voor de afwijzing. Hiermee verzwijgt hij de economische vooruitgang van Veghel onder het burgemeesterschap van Joseph de Kuijper.

Waarom stelt Van Vredenburch zo een vernietigend rapport op over Joseph de Kuijper? Hiervoor kun je het antwoord vermoedelijk weer terug vinden in het pragmatisch optreden van Joseph, en mogelijk weer in zakelijke wederzijdse belangen. Wraakgevoelens ten opzichte van Joseph wegens de degradatie overplaatsing van de gouverneur naar Zeeland kunnen ook een rol hebben gespeeld. Feit is dat zoveel onwetende factoren niet meer het predikaat toevallig kan voeren.

Met zijn gouvernementele houding bereikte Joseph de Kuijper dus minder dan hij had gehoopt. Had hij met de kwestie Holvoet ook van Vredenburch als tegenstander die voor zijn gemak maar wat feiten achterwege houdt, en de aanvrager als burgerlijk bestempelt ? het lijkt er wel op?

‘van gevoelen dat er geene genoegzame De ambtenaar bij Binnenlandse Zaken, die de Adelszaken behartigt namens de minister, is dan ook tegen bestaan tot het inwilligen van des adressants verzoek.

Kortom, Joseph de Kuijper liet te weinig bijzondere verdiensten zien en zijn familie was te burgerlijk om in aanmerking te komen voor een Adelsdiploma.Met dit rapport en negatief advies gaat de minister terug naar de koning, die het verzoek van Joseph de Kuijper dan ook afwijst.

Nog een argument om het verzoek van De Kuijper af te wijzen was volgens de Hoge Raad van Adel het feit dat Joseph de Kuijper de eerste telg was van zijn familie, die in Noord-Brabant ging wonen. En aangezien er nog verscheidene aanzienlijke families, die wel al langere tijd in Noord-Brabant woonden, niet in de adelstand waren verheven, zouden die eerder aan de beurt moeten komen dan de familie De Kuijper. Wordt vervolgd.

Grondwet van 1814 en van 1815 in praktijk

Om zijn handelen als burgemeester goed te kunnen plaatsen, zal er eerst een korte schets worden gegeven van de bestuursstructuur in de provincie Noord-Brabant en de reglementen aangaande de het gemeentebestuur.

Met de nieuwe grondwet van 1814 werd Noord-Brabant verdeeld in drie arrondissementen, te weten ‘s-Hertogenbosch, Breda en Eindhoven. Veghel viel onder het arrondissement Eindhoven en had in dhr. Wesselmans haar arrondissement commissaris. Deze commissarissen vormden de schakel tussen het provinciaal bestuur en de besturen van de plattelandsgemeenten. De laatsten mochten niet, in tegenstelling tot de tien steden, rechtstreeks met het provinciaal bestuur corresponderen. Dit moesten zij via de genoemde commissarissen doen. Met ingang van 1 oktober 1820 kwamen de arrondissementen te vervallen en werd de provincie opgedeeld in 7 districten. Aan het hoofd daarvan stonden districtsschouten, later districtscommissarissen genoemd. Veghel viel onder het district Helmond en dhr. Wesselman was nu districtsschout. In de grondwetten van 1814 en 1815 waren de bestuursstructuur van de provincies in grote lijnen aangegeven, maar zij moesten per provincie nog een apart bestuursreglement worden vastgesteld. In Noord-Brabant gebeurde dit, vooral door veranderingen in het grondgebied, pas in 1819.

Op 8 mei 1819 vaardigde het provinciale bestuur uit:

Totdat het nieuwe reglement in 1819 werd aangenomen waren alle burgemeesters provisioneel aangesteld. Met ingang van dat jaar droeg het provinciaal bestuur de leiding over plattelandsgemeenten op aan een schout en eventueel een gemeenteraad.het Reglement van bestuur voor het platteland in de Provincie Noord-Brabant

De Koning benoemde de schout, later mede op voordracht van Noord-Brabant weer burgemeester genoemd. De leden van de raad werden op voordracht gekozen door Gedeputeerde Staten. Om bij de bestuurszaken te helpen kon een secretaris worden benoemd, een persoon die trouwens bij meerdere gemeenten tegelijk mocht dienen.

Tijdens zijn leven als burgemeester en raadslid, veranderde hij mede Veghel van een boerendorp in een welvarende gemeenschap. In 1825 werd er een haven afgraven aan het zuid Willemsvaart, waardoor de scheepvaart in volle bloei kwam, en daarmee gepaarde op en overslag bedrijven zich gingen vestigen. Deze plannen waren onder zijn leiding al gemaakt en goedgekeurd. Ongetwijfeld een inzicht van Joseph zijn Cargadoor verleden.De gemeenteschout was belast met de uitvoering van de wetten en was het hoofd van alle plaatselijke ambtenaren. De gemeenteraad, bestaande uit de schout en een aantal raadsleden, dat per gemeente verschilde, stelde de begroting op, controleerde de rekeningen van de gemeente en van de armenkas. Het stelde tevens alle plaatselijk keuren, reglementen en huishoudelijke verordeningen op. De secretaris, die door de Provinciale Staten uit een voordracht van de gemeenteschout en de raad gekozen werd, hield de notulen van de vergaderingen en verzorgde de administratie en het archief. De positie van secretaris was als ambtenaar zeer belangrijk vanwege het volledig aspect van de functie samen met doorgaans de taak belastingontvanger of rentmeester. Het merendeel van de burgemeesters combineerde hun ambt met een boerderij of winkel, hierdoor stonden secretarissen bij de dorpelingen vaak in hoger aanzien Pas na de veranderde verhoudingen in de Franse tijd veranderde dit beeld enigszins, maar ondanks dat ‘bleef ook in de dorpen het secretariaat intellectueler en voornamer dan het burgemeestersambt’. Joseph de Kuyper echter combineerde zijn burgemeesterschap met een hogere functie van aanzien. Notaris.

De infrastructuur van Brabant bestaat nog steeds in onze huidige economie uit veelal onverharde wegen en kinderkopjes tussen landerijen en bossen, in de tijd dat Joseph de Kuyper in Noord Brabant aankwam was er vermoedelijk buiten een hier en daar gelegen karrespoor geheel geen infrastructuur aanwezig. Scheepvaart zou zo zag hij in, van Veghel, centraal gelegen tussen de grotere steden Nijmegen, Helmond, ‘s-Hertogenbosch en Eindhoven "het Rotterdam van Brabant maken."

Hiermee heeft Joseph de Kuyper mede de basis gelegd voor het huidige succes en werkgelegenheid. Veghel werd hierdoor een rijke gemeente, daarom kon er ook in 1838 een arme vrouwen en meisjes huis worden gebouwd en verzorging gegeven. De R.K. Kerk welke sedert de hervorming in bezit was van de hervormden, werd onder zijn burgemeesterschap in 1819 teruggeven aan de katholieken. Deze kerk werd ook onder Joseph in 1822 aanmerkelijk vergroot, en werd in 1842 versiert met een uitmuntend orgel vervaardigd door de orgelmaker Frans Smits uit Reek. De hier bedoelde kerk bestaat niet meer en moet ongeveer ter plaatse van het huidige streekarchief en voormalige gemeentehuis hebben gestaan. Dit gemeentehuis en de huidige H. Lambertuskerk, werden gebouwd onder het burgemeesterschap van zijn zoon en opvolger Victor de Kuijper.

Vermoedelijk heeft de aankoop van land langs de zuid Willemsvaart en rivier de Aa door Joseph de Kuyper bij zijn aankomst in Veghel, en de bouw van de haven die mede door zijn inspanningen werd afgegraven, ook kwaad bloed - jaloezie - gezet bij gouverneur en medebestuurders en bevolking van Veghel. De grond rond het water werd vooral in de omgeving van de haven plots een stuk meer waard door het vestigen van diverse bedrijven en de scheepvaart.

De tweede reden dat Joseph de Kuyper burgemeester werd of liever gezegd bleef, zonder het ambt van secretaris, wat hij bleef verpanden aan Jacob Jacot, word gevonden bij het provinciebestuur. In tegenstelling tot de geringe waardering van het burgemeestersambt bij de platteland bevolking, hechtten de provinciale bestuurders grote waarde aan de bekleding van dit ambt. Met name om de bekleding ervan door geloofsgenoten die opvielen door prestatie. De voornoemde inzichten die Veghel tot bloei brachten werden daar niet zonder respect waargenomen. De katholieken probeerden al vanaf de Bataafse tijd om zoveel mogelijk personen van de eigen gezindte als burgemeester benoemd te krijgen.

Probleem hierbij waren de al genoemde heerlijkheden en erfsecretarieŽn, die ten tijde van de Republiek vooral in handen waren van protestanten. Deze protestantse bezitters hadden hierdoor het recht om burgemeesters en secretarissen voor te dragen en hun keus viel dus meestal op protestanten. Dit gold niet voor de secretarieŽn in de statendorpen, zoals Veghel. Daar werden de burgemeesters benoemd op voordracht van de Gedeputeerde Staten.

De eerste kuiperijen nemen vorm aan

In Veghel was Joseph de Kuyper dus achtereenvolgens maire (1813), burgemeester (1814-1819), schout (1819-1821) en wederom burgemeester (1822). Een periode van ongeveer 10 jaar, waarin hij de nodige problemen kende met de plaatselijke bevolking. Als buitenstaander zal hij niet meteen geaccepteerd zijn en ook zijn regeringgezindheid zal hem na de anti-katholieke grondwetsvergadering niet in dank zijn afgenomen.

Hieronder volgt de brief van Piet de Bie, die als voorbeeld dient voor de andere brieven en duidelijk maakt wat er gaande is.In de loop van november 1814 stroomden de ‘memoires van klagten’ uit Veghel bij de gouverneur binnen. In de brieven klaagden meerdere inwoners van Veghel over de grove behandeling door de burgemeester, die hen had laten arresteren omdat deze personen illegaal turf hadden gestoken op gemeentegrond. In totaal zijn het er ongeveer tien, allen van gelijke strekking en met nagenoeg dezelfde opstelling. Dat laatste kwam doordat de meeste analfabeet waren en het schrijven overlieten aan ťťn persoon.

‘De ondergeteekenden Piet de Bie oud omtrent 50 jaren woonachtig te Veghel arrondissement Eindhoven heeft vermeend aan U Hoog Edel Gestrengen bij deze te moeten klagen over de willekeurige en onwettige arrestatie en detentie in de dorpsgevangenis door den Heer maire J. de Kuyper in den vorigen jare gedaan, zonder dat de ondergeteekenden op eene wettige wijze is beschuldigd, gedagvaard, of gevonnist geweest, enkeld op het willekeurig voorwendsel, dat hij op gemeentens grond had heitorf gestoken. Dat de ondergeteekenden destijds daarover niet heeft durven klagen uit vrees om door den Heer maire verder te worden vervolgd, en willekeurig behandeld: maar dat hij alsnog vertrouwt dat hij, onder de Regtvaardige en vaderlijke Regering van onzen geliefden en GeŽerbiedigden Souverein, terug gekeerd voor geen willekeur meer heeft te vreezen; en daarom alsnog klaagt en verzoekt, dat deze daad van den Heer maire thans Provisioneel burgemeester; naar de bestaande wetten moge worden vervolgd en gestraft. Te meer heeft de ondergeteekenden vermeend hier over te moeten klagen: dewijl dezelfde willekeur door mijn Heer de maire, niet alleen aan zijn persoon, maar ook aan een groot getal anderen zijner mede ingezetenen is gepleegd, als aan de personen van H.A. Smits, Willem Wellis, H. den Bresser, Aard Heiermans, Peter Maas, A. Sommers etc.

Veghel den 31 October 1814

dit X merk stelo Piet de Bie verklaard niet anders te kunnen schrijven in presentie van--Johannes L. van der Heijden

Jan H. Verhoeven’.

Op 26 december besluit de gouverneur burgemeester De Kuyper voor een periode van zes weken op non-actief te stellen, maar omdat de welvarende activiteiten van Joseph de Kuyper voor Veghel hem ook niet ontgingen, sluit hij verder rechterlijk vervolg uit.

Wel stuurt hij een rapport naar de secretaris van staat voor Binnenlandse Zaken. De volgende dag ontvangt het gemeentebestuur van Veghel een brief van de gouverneur, waarin hij bekend maakt dat burgemeester De Kuyper gedurende een tijd van zes weken zal worden geschorst

burgemeester J.F. de Kuyper aan ons ingediend.’‘na gelezen hebbende de memoire van klagten door onderscheidene

ingezetenen der gemeente Veghel ... tegen den fungeerende

en laat de zaak verder over aan zijn arrondissementscommissaris dhr. Wesselman. Deze stuurt op 2 januari 1815 een brief aan de gemeenteraad van Veghel met de instructie aan de secretaris Jacob Jacot om als waarnemend burgemeester op te treden, zolang de burgemeester De Kuyper is geschorst. Met zijn optreden heeft Joseph de Kuyper zich niet geliefd gemaakt bij een gedeelte van de Veghelse bevolking en de schorsing van 6 weken was zeker een smet op zijn blazoen. De hele kwestie heeft geen goede indruk van hem achtergelaten bij de gouverneur en de arrondissementscommissaris. De vraag is of dit een rol heeft gespeeld bij de beoordeling van Joseph de Kuyper als burgemeester moet met ja worden beantwoord.

Wesselmans beschrijft in 1816, in een lijst met daarin alle burgemeesters van het arrondissement Eindhoven , het karakter van burgemeester De Kuyper als ‘eenigzins heerschzugtig en in zijne gemeente niet bemind, van sommige meer gehaat als hij verdiendt ... heeft geene bijzondere bekwaamheid en talenten, laat alles door den adjunct Burgemeester verrichten welke zijn zaken uitmuntend waarneemt, doch diens raad hij niet altoos opvolgt.’. Wesselmans heeft dus, zacht gezegd, geen hoge pet op van Joseph de Kuyper.

llambertus kerk Veghel

Wie Wesselmans blijkbaar wel hoog heeft zitten, is de adjunct burgemeester ofwel secretaris Jacob Jacot. Deze Jacot is een omstreden figuur in de Veghelse politiek. Hij is geboren in 1772 en werd in 1802 op dertigjarige leeftijd secretaris van de gemeente Veghel als remplacent van De Jong.

De gouverneur schrijft op 26 oktober 1837 een brief aan de commissaris van Helmond over de herbenoemingen van de burgemeesters in zijn arrondissement. Hierin komt burgemeester Jacot ter sprake;Als Joseph de Kuyper in 1808 de erfsecretarie overneemt van De Jong, verpacht ook hij de functie van gemeentesecretaris aan Jacot. De hoofdfunctie van Jacot was volgens een register’ Vorster alhier en collecteur der verponding en bede te St. Oedenrode’. Later werd hij schatter van het kadaster in het kanton Gemert en blijkens de stukken ook in de gemeenten Etten, Leur en Zevenbergen. In 1832 werd hij burgemeester van Veghel op zestigjarige leeftijd en daarna zelfs nog tot zijn zevenenzeventigste secretaris (1838-1849) ! In 1837 komt burgemeester Jacot in opspraak door een kwestie met een onderwijzer in Veghel.

die de schoolmeester T...............met zijn "verfoeijelijke handelwijze" steeds de hand boven het hoofd gehouden heeft.

"Hetgene de heer Jacot in die.......... zaak gedaan heeft,

heeft dan ook maar al te zeer aanleiding gegeven,

om hem in de achting zijner ingezetenen te doen dalen,

en heeft noodwendig bij mij het denkbeeld moeten doen ontstaan, dat hij, die in dit geval zoo weinig pligtmatig gehandeld heeft,

ook in andere opzigten te wenschen moet overlaten.".

Wesselmans schrijft in een reactie aan de gouverneur over Jacot het volgende:

‘Ik ken den heer Jacot sedert veertig jaren,

hij is te Veghel geboren en heeft van zijn vroegste jeugd

af aan zijn geheele leven in den dienst des gemeente doorgebragt.

Algemeen geacht en bemind heeft hij steeds des gemeente als uitmuntend administrateur de bate diensten bewezen en doet dat nog voortdurend.’

De commissaris vindt Jacot een uiterst goede burgemeester en zegt dat de zaak omtrent de onderwijzer met een korreltje zout genomen dient te worden. Hij vindt dat Jacot gewoon burgemeester mag blijven, maar mocht de gouverneur anders besluiten dan stelt hij voor om Jan van den Heuvel als nieuwe burgemeester te benoemen. Deze Jan van den Heuvel wordt in 1838 inderdaad de nieuwe burgemeester van Veghel.

Hiermee kan je niet aan de indruk ontkomen dat Wesselmans enigszins partijdig is geweest ten voordele van Jacob Jacot en ten nadele van Joseph de Kuyper. Eigenlijk kun je lezen, iedereen mag burgemeester worden als het maar niet De Kuyper wordt.

De waarom vraag, zal vermoedelijk liggen in gemeenschappelijke zakelijke belangen.

De naam Jacob Jacot komt niet veel voor in Brabant en wordt al snel in verband gebracht met Frankrijk en/of patriotten. In de Documentatie Collectie van het Streekarchief Veghel bevindt zich een artikel, waarin de vraag wordt gesteld of Jacot een jacobijn zou zijn geweest. In een van de door hem opgestelde notulen is namelijk een tekening gevonden van een man met een jacobijnenmuts op.

Het is niet zeker of Jacot de tekenaar is geweest en het valt ook niet meer te achterhalen of hij nu wel of geen jacobijn was. Onderzoek naar zijn naam bij de Vrijmetselaarsloge in ‘s-Hertogenbosch leverde niets op. Zeker is echter wel dat Joseph de Kuyper kreeg wat hij zocht, een bekwame secretaris die hem veel werk uit handen nam. Hierdoor kon Joseph de Kuyper meer tijd vrijmaken voor zijn verdere expansie en plannen in de politiek, waaraan het volgende hoofdstuk is gewijd.

Koerswijziging

Het was dus zaak om, voor een eventueel tweede verzoek, de koning te laten zien dat hij wel degelijk een adellijke titel verdiende. Met andere woorden: Joseph de Kuijper moest opvallen in de provinciale politiek.

Deze boodschap heeft hij duidelijk begrepen, zoals blijkt uit zijn houding tijdens de Beekvliet-affaire. Koste wat kost zou hij het beleid van de koning verdedigen, ook al zou dat neerkomen op het verlies van zijn zetel in de Staten. We hebben gezien dat het inderdaad hierop uitliep.

‘De Rekwestant als lid der Gedeputeerde Staten van Noord Brabant, gedurende het tijdvak van vijf jaren, in moeyelijke omstandigheden ‘s lands Regering met yver gediend hebbende, en vooral in de laatste tijden, dat zoo veele tedere zaken het onderwerp, uwer Majesteits bezorgdheid uitmaakten, en bij gevolgtrekking ook de leden der Provinciale Staten tot het uitbrengen van hun personeel gevoelen noopten, weegens verschillende door het gouvernement genomen maatregelen, en welke uit haren aard aanleiding tot hevigen discussien moesten geven, ook in deze omstandigheid essentiele diensten hebbende beweesen, zoo door de besluyten der Regering met geestdrift voortestaan, als door adressen en petitien te bestrijden, welke deze besluijten in den geest des volks zouden hebben kunnen dinigreren, vertrouwt, dat zoo uwe Majesteit zich gewaardigt de boven aangehaalde daadzaken te doen onderzoeken, hij Rekwestant op de gehele welwillendheid van uwe Majesteit zal kunnen rekenen, daar het juijst deeze daadzaken zijn, welke hem het ongenoegen zijner Districtsgenoten hebben toegetrokken, en bij de laatste verkiezing op den Eersten dezer, het lidmaatschap der Provinciale Staten hebben doen verliezen.’Joseph de Kuijper stond nu met lege handen en, verbitterd door de hele affaire, schreef hij opnieuw een verzoekbrief aan de koning op 20 juni 1827, enkele weken nadat hij niet herkozen werd. Uit de brief is duidelijk op te maken dat het hele gebeuren nog vers in zijn geheugen lag en hij hield dan ook geen blad voor de mond. De volgende passage geeft een goed beeld van wat Joseph de Kuijper nastreefd

Met de ‘tedere zaken’ die aanleiding tot ‘hevige discussien’ gaven, doelt Joseph de Kuijper natuurlijk vooral op de sluiting der klein seminarie. In deze woelige tijden stond Joseph naar eigen zeggen als een rots in de branding door het regeringsbeleid ‘met geestdrift’ voor te staan.

zijn verzoek in te willigen. Hij vindt dat personen, die het beleid van de koning verdedigen, op de steun en bescherming van Willem I, moeten kunnen rekenen en niet door Populaire Kuiperijen kunnen benadeelt worden.Door petities en adressen (vooral het adres aan de koning van juli 1826) te ‘bestrijden’ heeft hij de geest van het volk proberen te redden. Zijn regeringsgezindheid haalt hem uiteindelijk de woede van zijn ‘districtsgenoten’ (lees de factie De Wijs) op de hals en kost hem zijn herverkiezing. Joseph de Kuijper windt er geen doekjes om en vraagt de koning met

‘nederige, edoch dringende bede’

De laatste kans

Joseph de Kuijper vindt duidelijk dat nu het moment is gekomen dat hij loon krijgt naar werk. Vermoedelijk heeft Joseph ook via andere wegen zijn genealogie onder de aandacht van de Koning weten te krijgen. Hij hoopt dat hij met zijn steun aan de koning op het goede paard heeft gewed en dat zijn tweede verzoek wel wordt toegekend. Een benoeming in de adelstand is datgene waar hij in de laatste jaren steeds naar toe heeft gewerkt. Om de Vier reeds genoemde redenen had Joseph de Kuijper veel belang bij zijn verheffing in de adelstand.

Daarom haalde hij in zijn tweede verzoek alle registers uit de kast om de koning te overtuigen van afkomst en zijn trouw aan het koningshuis en het vaderland.

De al eerder genoemde ambtenaar van Binnenlandse Zaken is dit maal veel positiever over het verzoek van Joseph de Kuijper, mede doordat de gouverneur (sinds 1826 is dat A. F. G. burggraaf van der Fosse) een positief rapport uitbrengt. Dit rapport bevat redenen waarom het verzoek van De Kuijper gegrond is en de gouverneur zou,

‘het zeer wenschelijk achten, indien spoedig, eenig blijk van ‘s Konings welwillendheid, aan den Heer mogt kunnen worden verleend. Ook de minister van Binnenlandse Zaken kan ‘zich zeer wel vereenigen met het rapport van den administrateur voor het Binnenlandsch Bestuur’ en stuurt alle rapporten en het verzoek naar de koning op 2 augustus 1827.

Beloning na twee jaar van wachten

Waarom wachtte de koning twee jaar om Joseph de Kuijper alsnog een adellijke titel te verlenen? Waarschijnlijk wachtte de koning om het verzoek van Joseph de Kuijper te honoreren bij een juiste gelegenheid. Bijna 2 jaar later reageert koning Willem I op het verzoek van Joseph de Kuijper, om precies te zijn op 4 juli 1829.

Dit kunnen we mede opmaken uit het feit dat het verzoek ook niet direct is afgewezen, hij wachtte blijkbaar op een goed moment om trouw te belonen en het verzoek te behandelen. In de zomer van 1829 leek de tijd gekomen om te laten zien dat de koning zijn trouwe dienaren rijkelijk beloonde.

Het jaar 1829 namelijk stond bol van katholieke acties en onafhankelijkheidsonlusten, onder andere in Ierland, Westfalen en het huidige BelgiŽ. In de zuidelijke provincies van het Koninkrijk was namelijk een petitiebeweging gestart, die vrijheid van drukpers en onderwijs als inzet had. Deze beweging kreeg weinig sympathisanten in de noordelijke provincies en van hen kwam de helft uit Noord-Brabant. In dit jaar won de oppositie, onder leiding van de factie De Wijs, aan kracht. Zoals gewoonlijk gebeurde dat tijdens de jaarlijkse verkiezing voor de Staten en voor de Tweede Kamer.

Bij de verkiezingen voor de kiescolleges - vergadering van kiesmannen per kiesdistrict, die een afgevaardigde in de Staten kozen - vlogen de beschuldigingen over en weer. De regeringsgezinde beschuldigden de geestelijkheid van stembusfraude;

Zij zouden de gelovigen openlijk hebben ‘geadviseerd’ over hun stemkeuze en zelfs gedreigd hebben met excommunicatie. Tijdens de volgende verkiezingsronde, waarin de afgevaardigden voor de Provinciale Staten werden gekozen, verloren de regeringsgezinde enkele trouwe leden.

Hieruit blijkt dus dat hun gedrag tijdens de debatten in de zomer van 1826 hoog was opgenomen. Drie jaar later nog moest Van Velthoven boeten voor zijn gouvernementele gedrag. Maar ook voor hem had de koning een verzachting van de pijn. Op dezelfde dag waarop De Kuijper in de adelstand werd verheven (4 juli 1829) kreeg Van Velthoven het ridderkruis in de orde van de Nederlandse Leeuw.Onder hen bevond zich ook A. van Velthoven, berucht vanwege zijn ‘antikatholieke’ stem tijdens de Beekvliet-affaire. In navolging van medestander Joseph de Kuijper werd zijn toenmalige tegenstem hem dus ook noodlottig.

Tevens werd dezelfde onderscheiding toegekend aan de protestant Hallungius, die net als Van Velthoven tijdens de laatste verkiezingen door een oppositieman uit de Staten was verdrongen.

Onder de andere nieuwe ridders die in deze periode werden benoemd waren Victor van Rijckevorsel en notaris Van Fenema. Deze notaris was ook lid van de Bossche factie en kende Joseph de Kuijper al sinds 1808 . -zie overdracht erfsecretarie Veghel -

d

Met deze benoemingen versterkte de koning zijn greep op de provincie, en gaf zichtbaar zijn ongenoegen weer over het verloop van de Noord Brabantse verkiezingen en de factie de Wijs.

"acte de servilisme devant le ministŤre"De Rooms-katholieken konden de benoemingen niet waarderen en volgens Mgr. C. van Bommel hadden de nieuwe ridders hun benoeming slechts te danken aan hun

De oppositie wint terrein

De gouvernementele wisten hun positie in de gedeputeerde staten nog redelijk te handhaven, maar verloren de strijd om de zetels in de Tweede Kamer. Juist aan deze zetels werd een groot belang gehecht, omdat kamerleden als politieke representanten werden gezien. Gedeputeerden daarentegen hadden meer de functie van ambtenaren, die verantwoordelijk waren voor het uitvoeren van het regeringsbeleid. De grootste klap voor de regeringsgezinde kwam bij de vervanging van ‘hun’ kamerlid A.J. Verheijen door oppositieman J. Luyben.

In de Tweede Kamer werd Noord Brabant nu vertegenwoordigd door bijna uitsluitend ultramontanen, zoals Cuypers, Ingenhousz, Van Sasse van Ysselt en Luyben. Deze afgevaardigden waren regelmatige tegenstemmers, met name tijdens het vaststellen van de eenjarige begrotingen. Zij beschuldigden de regering van achterstelling van de katholieken en van de beknotting van de hun rechten. Voor de koning was de maat nu vol en hij zinde op maatregelen tegen de katholieke oppositie.

Met de beroemd geworden koninklijke boodschap van 11 december 1829 kondigde de koning harde maatregelen aan tegen pers en oppositie. De onredelijke oppositie moest volgens koning Willem I, fel worden aangepakt en het moest duidelijk worden wie de baas was.

Luyben en Ingenhousz werden als eerste geconfronteerd met de nieuwe maatregelen van de regering.

Deze twee oppositie mannen moesten hun anti gouvernementele politiek bekopen met ontslag uit hun functies. Rond 1829 kon je geen oppositie man zijn, zonder door de regering te worden gezien als iemand die anti-grondwettelijk handelde. Daarom waren vele katholieken bangelijk en zodoende trachtte de meerderheid uit de eerste stand omhoog te komen door willig te luisteren, door diplomatiek en voorzichtig te handelen. Ze was blij, wanneer ze enig blijk van waardering ontving.Zij werden op 8 januari 1830 ontslagen uit al hun openbare ambten, omdat zij niet langer in staat werden geacht in hun functies de regering te vertegenwoordigen en te verdedigen. Voor Luyben, naast zijn functie als kamerlid ook nog districtscommissaris te Boxtel, betekende dit ontslag een forse financiŽle aderlating. Een maand later wordt dan ook een geldinzamelingsactie voor hem gestart, maar deze had geen succes.

De Regering van koning Willem I verstond dat en werkte in de moeilijke dagen rond 1829 gaarne met gunsten en ridderorden naar de regeringsgezinde katholieken.

Jonkheer Joseph Fransiscus de Kuijper

Van deze gunsten van de koning profiteerde ook Joseph de Kuijper, die zijn verzoek van bijna twee jaren terug ingewilligd zag. Bij Koninklijk Besluit van 4 juli 1829 werd hij verheven in de Nederlandse adelstand. Joseph Fransiscus de Kuijper kreeg de erfelijke titel van jonkheer en zodoende zouden al zijn afstammelingen eveneens deze titel krijgen.

De titel van jonkheer of vrouw kon echter alleen door de mannelijke nakomelingen worden doorgegeven. Deze regel is ingesteld in 1815 om de adelstand binnen de perken te houden. Sinds 1994 is dit ook wel weer aangepast, echter mijn dochter geboren buitenechtelijk november 1993 viel tussen wal en schip en mocht niet de titel jonkvrouw dragen, maar ze is inmiddels wel gelukkig getrouwd, dus dat scheeld. Sinds die veruimde adel opname vanuit mannen, vrouwen, gehuwden en ongehuwden, is de werkelijk opgenomen adelstand in Nederland bij de Hoge Raad voor de Adel, alleen maar afgenomen. 7 a 8000 personen geregistreerd in 2016, wat wil zeggen dat onder de jeugd een registratie niet meer van deze tijd is. Adel is daarmee vandaag de dag CURIOSA, en nostalgie.

Joseph de Kuijper werd dus eindelijk voor zijn trouw aan de koning beloond en kon verder met zijn plannen.

Deze plannen bestonden allereerst uit het terugkrijgen van zijn zetel in de Provinciale Staten. Daarnaast probeerde hij zijn familie te integreren in de provinciale elite. Dankzij hun adellijke titel waren zijn kinderen nu interessante huwelijkspartners voor telgen uit de Bossche elitefamilies en andere adellijke geslachten. Zijn oudste zoon Eduard bijvoorbeeld trouwde in 1842 met Veronique Smits van Eckart en hij zat vanaf 1845 namens de Ridderschap in de Provinciale Staten.

In 1857 werd hij burgemeester van ‘'s-Hertogenbosch en dat zou hij tot 1874 blijven. In dat jaar werd hij door koning Willem III, benoemd tot commissaris van de koning in de provincie Limburg, een functie die hij tot zijn dood in 1893 zou blijven bekleden.

De jongste en middelste zoon van Joseph de Kuijper, Ferdinand, en Louis Richard werden notaris te Veghel en traden hiermee ook in de voetsporen van hun vader.Zijn tweede zoon, Victor, werd in navolging van zijn vader burgemeester van Veghel en Erp. Dit ambt vervulde hij bijna een halve eeuw (1858-1906) en daarmee werd hij de langstzittende burgemeester van Veghel.

De ambten die Joseph verkreeg werden zo overgenomen door zijn zonen, die van daar uit konden beginnen aan hun eigen carriŤre. Louis Richard overleed op jonge leeftijd, waardoor een politieke carriŤre er niet in zat.

Voor zijn nageslacht is de adelsverheffing van Joseph de Kuijper dus gunstig gebleken, maar wat zat erin voor hemzelf? Zoals gezegd aasde hij op een zetel in de Staten, die hij nu via de Ridderschap kon bemachtigen.

In 1833 ging deze wens in vervulling en werd hij verkozen in de Provinciale Staten. Hij zou deze zetel tot zijn dood in 1843 bezetten. Daarnaast zat Joseph de Kuijper in de Provinciale commissie van landbouw en was onder andere belast met het toezicht op de veemarkten.

Zo rapporteerde hij de gouverneur op 17 april 1838 over de wantoestanden bij de paarden keuringen in St. Oedenrode. Deze keuringen werden georganiseerd door het leger, dat paarden nodig had voor de cavalerie en artillerie. De paarden werden gekeurd door veeartsen en daarna voor vastgestelde, goede prijzen verkocht. Paarden verkopers waren er op gebrand om zoveel mogelijk winst te maken door mindere paarden te laten goedkeuren.

Joseph de Kuijper meldde dat veearts Rijkzen en keurmeester Cuypers zich laten omkopen en ‘dat men om een paard kwijt te raken zijne Rijkzen, handen met een tientje moest vullen, en dit niet doende men bijna zeker kon zijn dat het paard afgewezen werd.’ Ook hier laat Joseph de Kuijper zien een goed en eerlijk ambtenaar te zijn, ook al maakt hij zich bij enkele mensen niet erg populair.

Zijn levensdoel bereikt

Tot een nieuwe verkiezing in de Gedeputeerde Staten zou het niet meer komen en in de tien jaar dat De Kuijper in de Provinciale Staten zat speelde hij een bescheiden rol in de provinciale politiek. Zijn doel, verheffing in de Adelstand, was reeds bereikt en het was nu aan zijn kinderen om carriŤre te maken. Joseph Fransiscus de Kuijper overleed in zijn landhuis ‘Huize Lanckveld’ in 1843 op 56-jarige leeftijd. Zijn lichaam werd bijgezet in het familiegraf de Berg Calvarie bij de Heilige Lambertuskerk te Veghel.

Zijn motto, later overgenomen door zijn zoons kenmerkt Joseph de Kuijper:

‘Liefde tot het vaderland,

zugt tot orde en instandhouding

van eendragt onder alle gezindheden’.